maandag 26 januari 2009

Mijn koninklijke gewoonte en jouw geïnspireerde nachtwaken

Toen de slag bij Clontarf, waar de Noor verslagen werd, afgelopen was, sprak de Grote Koning met de dichter en zei: ‘De duidelijkste heldendaden verliezen hun glans, als ze niet in woorden gemunt worden. Ik wil dat je mijn victorie en mijn lof zingt. Ik zal Aeneas zijn; jij zult mijn Virgilius zijn. Denk je dat je in staat bent deze onderneming uit te voeren, die ons beiden onsterfelijk zal maken?’
‘Ja, Sire,’ zei de dichter. ‘Ik ben Ollan. Twaalf winters lang heb ik de leer der metriek bestudeerd. Ik ken de driehonderdzestig fabels, die de basis vormen van de ware poëzie, uit mijn hoofd. De Cycli van Ulster en Munster zijn in de snaren van mijn harp. Volgens de wet mag ik de meest archaïsche termen van onze taal en de meest ingewikkelde metaforen uitdragen. Ik beheers het geheime schrift dat onze kunst verdedigt tegen de onbeschaamde blikken van het vulgus. Ik kan de liefde bezingen, de veediefstallen, de zeevaart, de oorlogen. Ik ken de mythologische afkomst van alle adellijke families van Ierland. Ik beheers de kennis van de kruiden, de astrologie die de toekomst leert, de wiskunde en het kanonieke recht. Ik heb mijn rivalen in het openbaar in literaire wedstrijden verslagen. Ik heb mij geoefend in de satire, die huidaandoeningen veroorzaakt, zelfs lepra. Ik kan het zwaard hanteren, zoals ik in jouw strijd bewezen heb. Er is maar één ding dat ik niet kan: je genoeg bedanken voor het geschenk dat je me geeft.’
De Koning, die altijd snel moe werd van lange, vreemde toespraken, zei opgelucht: ‘Dat weet ik allemaal allang. Ze hebben me net verteld dat de nachtegaal al gezongen heeft in Engeland. Als de regen en de sneeuw voorbij zijn, als de nachtegaal uit zijn zuidelijke streken terug is, zal jij de lofzang voordragen voor het hof en het College van Dichters. Ik geef je een heel jaar. Je zult iedere letter en ieder woord polijsten. De beloning, dat weet je, zal mijn koninklijke gewoonte en jouw geïnspireerde nachtwaken niet onwaardig zijn.’
‘Sire, de mooiste beloning is jouw gezicht te mogen aanschouwen,’ zei de dichter, die ook een hoveling was.
Hij maakte zijn buigingen en ging weg, er kwam reeds een vers in hem op.
Toen de termijn, een tijd vol epidemieën en opstanden, verstreken was, presenteerde hij zijn lofrede. Hij droeg hem langzaam en zelfverzekerd voor, zonder één blik op het manuscript te werpen. De Koning knikte hem goedkeurend toe. Iedereen deed zijn hoofdbeweging na, zelfs degenen die in de deuren samengedromd waren en er geen woord van konden verstaan. Tenslotte sprak de Koning: ‘Ik aanvaard je werk. Het is een tweede victorie. Je hebt ieder woord in zijn waarachtige betekenis gebruikt en je hebt ieder zelfstandig naamwoord het epitheton gegeven dat de eerste dichters het al hebben gegeven. In je hele lofdicht is niet één beeld dat de Klassieken niet reeds hebben gebruikt. De oorlog is het prachtige weefsel der mensen en het water van het zwaard is het bloed. De zee heeft zijn god en de wolken voorspellen de toekomst. Je hebt zeer bekwaam gebruik gemaakt van het rijm, de alliteratie, de assonantie, de quantiteiten, de kunstgrepen van de vaardige retoriek en de wijze afwisseling der metra. Als de hele literatuur van Ierland verloren zou gaan – omen absit – zou zij met behulp van jouw klassieke ode gereconstrueerd kunnen worden zonder dat er iets verloren is. Dertig schrijvers zullen het twaalf keer overschrijven.’

De spiegel en het masker [fragment]
uit: Het boek van zand - Jorge Luis Borges

____