woensdag 7 januari 2009

Niet de herinnering is hier uitgewist maar de tijd

Over wat er daarna gebeurde heb ik nog weken moeten piekeren. En zelfs als dode, wat ik ben en al ik weet niet hoe lang ben, probeer ik me de mores weer te herinneren die daar op de campus heersten en me de ontredderde pogingen weer voor de geest te halen waarmee ik die mores trachtte te omzeilen en waarin de kiem lag van de reeks incidenten die eindigde met mijn dood op negentienjarige leeftijd. Zelfs nu (gesteld dat ‘nu’ tenminste kan worden geacht nog iets te betekenen), het stoffelijk bestaan voorbij, terwijl ik hier (gesteld dat ‘hier’ of ‘ik’ tenminste nog iets betekent) uitsluitend voortleef als herinnering (gesteld dat ‘herinnering’, strikt gesproken tenminste het alomvattende medium is waarin ik overeind word gehouden als ‘mijzelf’), blijf ik maar piekeren over Olivia’s gedag. Dient de eeuwigheid daarvoor, kniezen over de futiliteiten van een mensenleven? Wie had kunnen denken dat je je elk moment van je leven voorgoed tot in de kleinste kleinigheden moest herinneren? Of kan het zijn dat dit hiernamaals alleen het míjne is, omdat, evenals elk leven, ook elk hiernamaals uniek is, een onuitwisbare vingerafdruk van een hiernamaals waarvan er geen tweede bestaat? Ik weet niet hoe ik daarachter moet komen. Net als in het leven weet ik alleen wat er is, en in de dood blijkt wat er is te zijn wat er was. Je zit niet alleen aan je leven vast terwijl je leeft, je blijft ermee opgescheept nadat je dood en begraven bent. Of, nogmaals, misschien dat voor mij, alleen voor mij. Wie had me dat kunnen vertellen? En zou de dood minder angstaanjagend zijn geweest als ik had begrepen dat doodzijn geen eindeloos niets was maar bestond uit de herinnering die eonenlang over zichzelf peinst? Hoewel dit permanente gedenken misschien slechts de wachtkamer van de vergetelheid is. Als ongelovige ging ik ervan uit dat er in het hiernamaals geen klok, lichaam, brein, ziel of god was – geen gedaante, vorm of substantie, de ultieme ontbinding. Ik wist niet dat er wel herinnering was, sterker nog, dat er juist alleen maar herinnering wás. Ik heb ook geen idee of ik al drie uur of al een miljoen jaar in herinneringen verzonken ben. Niet de herinnering is hier uitgewist maar de tijd. Er is geen adempauze – want het hiernamaals kent ook geen slaap. Tenzij het allemaal slaap is, en de droom van een voorgoed verdwenen verleden de overledene voorgoed vergezelt. Maar droom of geen droom, er valt hier niets anders te overdenken dan het vervlogen leven. Maakt dat ‘hier’ tot hel? Of tot hemel? Tot iets beters dan vergetelheid of tot iets ergers? Je zou toch denken dat onzekerheid in de dood tenminste wel zou verdwijnen. Maar aangezien ik geen idee heb waar ik ben, wat ik ben of hoe lang ik in deze toestand moet blijven, is onzekerheid blijkbaar bestendig. Dit is toch echt niet de weidse hemel uit de religieuze verbeelding, waar wij deugdzame mensen allen weer tezamen zijn, gelukkiger dan ooit omdat het zwaard des doods ons niet meer boven het hoofd hangt. Overigens heb ik het sterke vermoeden dat je hier ook dood kunt gaan. Voorwaarts kun je hier niet, dat staat vast. Er zijn geen deuren. Er zijn geen dagen. De richting is (voorlopig?) alleen achterwaarts. En het oordeel duurt eindeloos, zij het niet omdat een godheid over je oordeelt maar omdat je daden tot het einde der tijden zeurig door jouzelf worden beoordeeld.
Als u vraagt hoe dat mogelijk is – herinnering na herinnering, niets dan herinnering – kan ik natuurlijk geen antwoord geven, en niet omdat er evenmin een ‘u’ of een ‘ik’ bestaat als er een ‘hier’ en een ‘nu’ bestaan, maar omdat het enige wat bestaat herinnerd verleden is, let wel, niet hervonden, niet herleefd in de gelijktijdigheid van het rijk der gewaarwording, nee, alleen herhaald. En hoeveel van mijn verleden kan ik nog hebben? Terwijl ik in een klokloze wereld mijn eigen verhaal de klok rond herkauw, onstoffelijk verscholen in deze geheugengrot, komt het me voor alsof ik daar al een miljoen jaar mee bezig ben. Moet dit echt maar doorgaan – eeuwig die negentien luttele jaren van mij terwijl al het andere weg is, die negentien luttele jaren van mij onontkoombaar om mij heen, aanhoudend aanwezig, terwijl alles wat eraan te pas kwam om die negentien jaren werkelijk te maken, alles waardoor je er pal middenin stond een fantasma blijft, ver, heel ver weg?

uit: Verontwaardiging - Philip Roth

____