____
dinsdag 27 januari 2009
Ze maken ons huwelijksbed mooi op en versieren onze slaapkamer
Hij droeg Fokas op om alle gebeurtenissen aan de buitenwereld bekend te maken, maar twee dingen moest hij verzwijgen: zijn eigen list en het feit dat er nog een paar mensen uit de triëre in leven waren. Zelf zocht hij met een sombere uitdrukking Kallirhoë op. Daarna riep hij de bevolking van het platteland bijeen. Hij had ze van tevoren ingelicht om ervoor te zorgen dat zijn vrouw, wanneer ze vernomen had wat er gebeurd was, Chaireas eindelijk voorgoed zou opgeven. Zij kwamen en iedereen vertelde wat hij wist: ‘Op een nacht kwamen er zomaar Perzische rovers aanstormen. Ze hebben een Griekse triëre in brand gestoken, die de dag ervoor bij de kust voor anker was gegaan. En bij daglicht zagen we dat het water rood was van het bloed en dat er lijken op de golven deinden.’ Toen Kallirhoë dat hoorde, scheurde zij haar kleren kapot. Zij sloeg op haar ogen en wangen en rende terug naar het huis waar ze naartoe was gebracht toen ze net verkocht was. Dionysios gaf haar de gelegenheid zich over te geven aan haar verdriet, omdat hij bang was dat hij haar tot last zou zijn als hij op een verkeerd moment bij haar was. Hij verzocht iedereen te vertrekken, behalve Plangon, die op haar moest passen om te voorkomen dat ze zichzelf iets ergs zou aandoen. Toen Kallirhoë alleen gelaten was, ging zij op de grond zitten en strooide stof over haar hoofd uit. Ze rukte aan haar haren en begon als volgt te weeklagen: ‘Ik heb gebeden om vóór jou of samen met jou te sterven, Chaireas. In ieder geval moet ik nu sterven, al is het na jou. Welke hoop op leven blijft er nog voor mij over? Wanneer ik ongelukkig was, hield ik mijzelf tot nu toe voor: “Eens zal ik Chaireas weer zien en zal ik hem vertellen hoe ik voor hem geleden heb. Dat zal mij in zijn ogen nog onmisbaarder maken. Wat zal hij blij zijn, wanneer hij zijn eigen zoon te zien krijgt!” Het heeft me allemaal niets opgeleverd en mijn kind is nu ook te veel. Want als vaderloos kind wordt hij toegevoegd aan de ellende die ik al had. Onrechtvaardige Afrodite! Jij alleen hebt Chaireas gezien, mij heb je hem niet laten zien toen hij kwam. Je hebt zijn mooie lichaam in de handen van rovers laten vallen. Je hebt geen medelijden gehad met een man die om jou hiernaartoe is gevaren. Wie wil nu zo’n godin aanbidden, die haar eigen smekeling heeft omgebracht? Je bent niet te hulp gekomen in die vreselijke nacht, toen onder jouw ogen een mooie jonge minnaar werd vermoord. Je hebt me mijn kameraad ontnomen, mijn medeburger, mijn echtgenoot, mijn minnaar, mijn liefste, mijn bruidegom. Geef me dan tenminste zijn lichaam terug. Ik durf te beweren dat wij het ongelukkigst van iedereen zijn. Want wat had die triëre misdaan en waarom hebben de oosterlingen een schip platgebrand, dat zelfs de Atheners niet in handen hebben gekregen? Op dit moment staan onze ouders bij de zee, wachtend op onze terugkeer. En bij ieder schip dat aan de horizon verschijnt, zeggen ze: “Daar komt Chaireas samen met Kallirhoë.” Ze maken ons huwelijksbed mooi op en versieren onze slaapkamer, terwijl wij niet eens een eigen graf hebben. Verfoeilijke zee, je hebt Chaireas naar Milete gebracht om er vermoord te worden en mij om er verkocht te worden.’
