____
zondag 15 februari 2009
Dat heet dan gelukkig zijn, een deur die plots opengaat
‘Wat doe jij hier?’ vroeg hij. Hij wachtte niet op een antwoord maar begon weer te praten, over mijn hoofd heen, dit keer. ‘Tegenwoordig is alles mogelijk, Mollenvanger. En ik vind, als u ja zegt moet u ook neen zeggen. De wereld gaat ten onder aan de paradox, aan de ironie en aan het cynisme. En wat kan het mij schelen dat de wereld ten onder gaat aan de parodie en het cynisme en het irodoxisme, het onomatopoëtische paroxisme. Het hangt mijn keel uit, het paroxisme, want ik vind, als u ja zegt moet u ook neen zeggen. Of neen, dat was het juist, dat van die ja en die neen: dat was het vervloekte paradoxisme van de jaren zeventig van het tweede der zeven millennia. Nog vijf millennia te gaan voor het mensdom, dat heeft mij een sterrenwichelaar voorspeld, Mollenvanger. Nog goed dat ik niet bijgelovig ben want dat brengt ongeluk. Weeral een paradox! Zal dit dan nooit ophouden? Al u constant in Open rijdt Istanbul. Op den duur is alles een mop. De vraag van de quizmaster luidde: “De oude Oost-Romeinse stad Byzantium kreeg in de loop der tijden twee nieuwe namen; hoe luiden die namen?” “Constantinopel en Istanbul”, zo antwoordde de kandidaat, die ook niet op zijn achterhoofd was gevallen. En de kwismeester natuurlijk, als door een goddelijke ingeving, sprak: “Als u Constantinopel rijdt Istanbul? Als u voortdurend in een bepaald merk van auto rijdt, krijgt u dan ruzie, is het dan boel?” Er is veel goede wil nodig, Mollenvanger, om in een ironiserende samenleving in staat te zijn te functioneren. Iedereen is aangetast. Soms spreek ik over gevoelens en zo, maar de mensen lachen mij uit met mijn gevoelens en ze hebben natuurlijk gelijk met mijn gevoelens en zo maar dat is ironisch bedoeld natuurlijk. Slechts de mensen van voor de oorlog zijn nog niet aangevreten door de ironie, maar zij sterven snel uit. Ik zat bij de de buurvrouw naar de wereldbeker voetbal te kijken en mijn buurvrouw vroeg iets, want ze kent er niet veel van maar ze supportert toch voor de Belgen, en alleen daardoor was ik wat betreft gevoelens al tot tranen toe bewogen. En zij vroeg dus: “Wie is nu eigenlijk die Wilfried Van Moer?” En ik zei, al wijzend naar het scherm en de wirwar van spelers die achter de bal aan holden: “Het is die jongen met zijn voetbalschoenen en zijn korte broek aan en dat rode T-shirtje.” “Ach ja, die,” zei ze. Mollenvanger, kunt u dat geloven en toen, ja toen staarde zij verwonderd voor zich uit en verzeilde weer in diepe gedachten bij zichzelf. Kunt u geloven hoe dom de mensen zijn? Die vervloekte generatie van voor de oorlog, dat is toch om zot van te worden! Ik had de zonde van de ironie bedreven jegens iemand die de ironie niet nodig heeft om in dit bestaan te bestaan. Dat heet dan gelukkig zijn, een deur die plots opengaat. Meer hadden die gasten vroeger niet nodig om gelukkig te zijn: een deur die plots opengaat, al was het maar van de tocht. Ik zweer het u, Mollenvanger, er bolde een traan over mijn wangen. Vergeef mij vader, dacht ik, want ik weet niet wat ik doe. Ik verzin voortdurend paradoxen. Wat zijn dat paradoxen? Niemand die het nog weet. Een toekomst voor mijn verleden. Dat is een paradox. Een tegenstelling voor mijn verleden. Dat is een paradox. Een tegenstelling die geen tegenstelling is. Een voetbaltrainer die roept van op de bank: “Probeer zo veel mogelijk doelpunten te maken.” Of die sportdirecteur die zijn raampje opendraait en tegen zijn coureur zegt: “Maakt dat gij als eerste over de streep komt want dan zijt gij gewonnen.”
Labels:
gelezen in 2009,
humor,
Luc De Vos,
romans,
uitgeverij Atlas,
Vlaamse letterkunde
