woensdag 25 februari 2009

De siermotieven van een nog nooit geleefd bestaan

Neem hem eens van terzijde op, Nastjenka, en u zult meteen zien dat dit vreugdevolle gevoel reeds een gunstige uitwerking heeft gehad op zijn zwakke zenuwgestel en zijn ziekelijk overspannen fantasie. Kijk, zijn denken is reeds helemaal in de ban van een of ander… Wat denkt u, vertoeft hij in gedachten bij zijn avondmaal, bij de vrije avond die voor hem ligt? Wáár kijkt hij toch naar? Soms naar die deftig uitziende hier die zo’n schilderachtige buiging maakt voor die dame die in een schitterende, met snelvoetige rossen bespannen koets langs hem heen ijlt? Welnee, Nastjenka, wat kunnen dergelijke kleinigheden hem op dat moment eigenlijk schelen! Neen, momenteel is hij rijk omdat hij zijn eigen bijzondere leven leidt; hij heeft als het ware plotseling fortuin gemaakt en de laatste straal waarmee de uitdovende zon afscheid neemt heeft niet tevergeefs zo vrolijk voor hem gefonkeld en uit zijn warmgelopen hart een hele zwerm impressies te voorschijn geroepen. Op dat moment ziet hij amper de weg waarop hij loopt, hoewel er voordien op die weg niet het minste kon voorvallen, of het trof hem. Thans heeft ‘de godin fantasie’ (misschien heeft u Zjoekovski ook gelezen, Nastjenka) reeds met haar grillige hand haar gouden schering gegeven en is zij reeds doende voor zijn ogen de siermotieven van een sprookjesachtig, nog nooit geleefd bestaan aan te brengen – en wie weet, misschien heeft haar in luimen bedreven hand hem reeds opgeheven van het prachtig aangelegde granieten trottoir waarover hij huiswaarts wandelt, naar de kristallijnen zevende hemel. Probeert u hem nu maar eens staande te houden en hem opeens te vragen waar hij zich momenteel bevindt en welke straten hij is doorgekomen – dan zal zeker blijken dat hij daar niets meer van afweet, noch van waar hij geweest is, noch van waar hij momenteel is en blozend van ergernis zal hij een fatsoensleugentje verzinnen om de situatie te redden. Vandaar ook dat hij zo schrikachtig reageerde en bijna een kreet geslaakt had en ontzet om zich heenblikte, toen een allerbraafst oud vrouwtje hem op het trottoir staande hield om hem de weg te vragen. Met een frons van ergernis op zijn gezicht stapt hij verder, nauwelijks merkend dat meer dan één voorbijganger om hem moest glimlachen en hem nakijkt en dat een klein meisje, dat schuchter voor hem op zij gaat, met grote ogen staart naar de brede, contemplatieve glimlach en zijn gesticulerende handen en dat dan in lachen uitbarst. Maar reeds zijn zij allemaal opgenomen in de speelse vlucht van diezelfde fantasie – het oudje, de nieuwsgierige voorbijgangers, het lachende meisje en de boeren van buiten die op hun in de Fontanka gemeerde schuitjes de nacht doorbrengen (laten we maar aannemen dat onze held daar juist langs kwam). Hen allen heeft de fantasie reeds schelms ingeweven in haar gobelin als een vlieg in een spinneweb, en, verrijkt met deze nieuwe aanwinsten, is onze zonderling inmiddels al thuisgekomen in zijn vertroostende holletje, reeds aan tafel gegaan, klaar met eten en pas tot de werkelijkheid teruggekeerd, toen de peinzende en altijd droevige Matrjona, die hem bedient, de tafel had afgeruimd en hem zijn pijp aangereikt; hij is uit zijn droomwereld teruggekeerd en constateert met verwondering dat hij zijn avondmaal al helemaal verorberd heeft en helemaal over het hoofd gezien heeft, hoe dat in zijn werk gegaan is. In zijn kamer is het al donker geworden, hij voelt zich leeg en treurig, zijn hele droomrijk is rond hem ineengestort zonder een spoor na te laten, geruisloos weggewiekt als een droomgezicht en zelf weet hij niet eens meer wat hij in zijn verbeelding gezien heeft.

uit: Witte nachten : een sentimentele roman, uit de herinnering van een dromer - Fjodor M. Dostojevski

____