Gat van het getij, zoekt de dichter naar de
Oude ziekten der seizoenen, de eeuwigheden,
De minachting van minnaars, het kamerbreed
Behang van belachelijke lijven in omarming.
Zodoende, de doodstille ratel ondenkbaar
In de hand, vlucht hij naar zijn naargeestig
Grijs verleden, de bedorven troost van het
Voedzaam verdriet, het heilig heimwee
Het nachtelijke en nooitse niemandsland.
Tussen feestend volk, VIII [fragment]
____
