donderdag 19 februari 2009

Het grootste geval van bedrog in de geschiedenis van de decoratie

Om een stuk spiegelend glas beroemd en kostbaarder dan een schilderij van een oude meester te maken, waren er twee dingen nodig: vakmanschap en afmeting – vandaar de plechtige belofte aan Colbert van de meesterspiegelmakers bij hun aankomst in 1665, dat ze spoedig spiegels ‘van 1 meter 85 tot 2 meter 15’ zouden maken. Wie een beetje bekend is met de geschiedenis van de spiegelindustrie zou verwacht hebben dat het verslag van de Franse overwinning op de Venetianen in Versailles zeventien jaar na de oprichting van de spiegelfabriek in Parijs als illustratie zou dienen voor hoe royaal die belofte is ingelost. Als echte reclame voor de nu door de Fransen overgenomen spiegelindustrie mochten de enorme spiegelvlakken in de Grote Galerij uit niet meer dan vier aparte panelen bestaan, platen spiegelglas van een nooit eerder gefabriceerd formaat.
De werkelijkheid die in november 1682 werd onthuld, kwam bij lange niet in de buurt van Colberts dromen. Elk van de zeventien spiegelpanelen bestond niet uit vier, maar uit eenentwintig platen glas: bovenaan drie ronde, vervolgens drie kleine rechthoekige, en daaronder nog eens vijftien platen van elk circa vijfenzestig bij vijfentachtig centimeter, in totaal driehonderdzevenenvijftig aparte glasplaten. Met andere woorden: de Spiegelhal pronkt met spiegels die nauwelijks groter zijn dan die uit 1650, voor de Frans-Venetiaanse spiegel werd uitgebracht. Misschien is de Grote Galerij wel het grootste geval van bedrog in de geschiedenis van de decoratie.
Eigenlijk zijn de beloften waarin Colbert in 1665 geloofde nooit waarheid geworden. In 1682 had Frankrijk de Venetianen nog steeds niet verslagen, juist omdat ze hadden geleerd op dezelfde manier spiegels te maken als de Venetianen, van glas dat werd geblazen en daarna vlak gemaakt en gesneden. Op deze manier konden er geen spiegels worden gemaakt die groter waren dan circa negentig bij honderd centimeter, en zelfs dit formaat werd meestal niet gehaald. Om te beginnen beschikten maar weinig glasblazers over de vereiste longcapaciteit. En wat belangrijker was: geblazen glas van dit formaat was ongelijkmatig en op sommige plaatsen zo dun dat het niet bestand was tegen het aanbrengen van de folie. Om het mislukken van Colberts droom te verdoezelen, leidde Lodewijk de Veertiende zijn bezoekers uit alle hoeken van de wereld af met opvallende raambekleding.
De geschiedenis van de spiegel kende twee ironische spelingen van het lot. Ten eerste: een formidabele doorbraak stond voor de deur; als de Galerie des Glaces een paar jaar later tot stand was gebracht, zou het een prachtig bewijs zijn geweest voor het feit dat onder Franse leiding het moderne tijdperk van de spiegel was aangebroken. En ten tweede: op 6 september 1683 stierf Colbert; hij zou nooit weten hoezeer hij het bij het rechte eind had gehad.
Vrijwel zodra de relatie tussen Frankrijk en de spiegel was ontstaan, werd Bernard Perrot, een door Lodewijk de Veertiende genaturaliseerde Italiaan, bekend als een van de beste beoefenaars van het vak. Al in de jaren zeventig van de zeventiende eeuw ging het gerucht dat Perrot aan een nieuwe techniek werkte. Het eerste openlijke bewijs van zijn doorbraak kwam begin 1687, slechts drie jaar na de voltooiing van de Spiegelhal. In maart 1687 meldde Donneau de Visé opgewonden aan zijn lezers dat Perrot niet langer glas blies, maar het ‘uitgaat over metalen platen van willekeurig formaat’. Aan het slot van de bijeenkomst van de Koninklijke Academie van Wetenschap op 2 april, waar Perrot zijn vinding officieel presenteerde, ‘verleende de Academie hem een certificaat’.
Van alle uitvinders in deze bijzonder vruchtbare tijd, was Perrot de enige zonder ondernemersinstinct: hij nam trots het certificaat, een pure formaliteit die zijn uitvinding op geen enkele manier beschermde, in ontvangst en ging terug naar zijn experimenten. In feite was Perrot zo laks met het vestigen van een octrooi op zijn uitvinding dat hij er de zeggenschap over kwijtraakte. In 1688 kreeg een andere meesterglazenier, Abraham Thévart, een licentie voor het maken van spiegels door middel van een geheel nieuwe techniek ‘waarvan nog niemand in Europa heeft gehoord’ – namelijk door ze te gieten. En in 1691 schonk weer een andere beoefenaar van de kunst, Louis de Nehou, de koning vier spiegels die waarschijnlijk de eerste waren waarbij met succes de door Perrot bedachte methode was toegepast. Vanaf dat moment ging het alleen nog maar voorwaarts. De Koninklijke Fabriek nam Nehou in dienst; vanaf 1692 stond hij op de loonlijst van Saint-Gobain. Met zijn medewerking maakte de Koninklijke Fabriek Perrots uitvinding te gelde; deze werd de springplank waardoor Saint-Gobain wereldmarktleider werd. Perrot sleepte de koninklijke onderneming voor de rechter, maar ontving slechts een kleine jaarlijke toelage van vijfhonderd livre, nog geen vijfentwintigduizend dollar – een zakcentje bij zo’n grote inzet.

uit: De essentie van stijl - Joan DeJean

____