maandag 16 februari 2009

Het ‘levende leven’ drukte me

Een kwartier later ijsbeerde ik in razend ongeduld door het vertrek, liep ieder moment naar het kamerscherm en bespiedde Liza door een kier. Ze zat op de grond, leunde met haar hoofd tegen het bed en scheen te huilen. Maar ze ging niet weg en dat was het wat mij ergerde. Ze wist nu alles. Ik had haar de grootst mogelijke belediging aangedaan, maar… nou ja, laten we het daar maar niet over hebben. Ze had begrepen dat mijn opwelling van hartstocht niets anders dan een wraakoefening was geweest, een nieuwe vernedering voor haar, en dat zich bij mijn vroegere bijna abstracte haat nu een persoonlijke, afgunstige haat tegen háár had gevoegd. Overigens beweer ik niet dat zij dat allemaal precies begreep; maar ze begreep des te beter dat ik een misselijkmakend iemand was, en, nog belangrijker, dat ik niet in staat was om van haar te houden.
Ik weet dat men mij zal zeggen dat dit ongeloofwaardig is dat iemand zo kwaadaardig en dom is als ik; men zal er misschien nog aan toevoegen dat het ongeloofwaardig is dat ik niet van haar was gaan houden, omdat, ik herhaal het, liefhebben voor mij betekende tiranniseren en de zedenmeester uithangen. Ik heb me mijn hele leven geen andere liefde kunnen voorstellen, en ben tegenwoordig zo diep gezonken dat ik soms denk dat liefde bestaat uit het vrijwillig afstaan door de geliefde persoon van het recht om haar te tiranniseren. Ook in mijn ondergrondse dromen kon ik mij de liefde nooit anders voorstellen dan als een strijd, die ik altijd liet beginnen met haat en eindigen met morele onderwerping, en vervolgens kon ik me dan niet voorstellen wat ik met zo’n onderworpen wezen moest beginnen. Ja, en wat schuilt hier voor onwaarschijnlijks in, wanneer ik al kans had gezien mezelf zozeer moreel te corrumperen, zozeer van ‘het levende leven’ vervreemd te raken dat ik het daarnet in mijn kop had gehaald om haar verwijten te maken en beschaamd te doen staan op grond van het feit dat ze bij mij was gekomen om ‘woorden van medeleven’ te horen, en zelf in het geheel niet doorhad dat ze niet bij me was gekomen om woorden van medeleven te horen, maar om me te beminnen, omdat voor de vrouw elke vorm van herrijzenis, van redding, uit welke teloorgang ook, en heel haar wedergeboorte, besloten ligt in de liefde en zich niet anders manifesteert dan zo. Overigens haatte ik haar al niet zo verschrikkelijk meer toen ik door de kamer ijsbeerde en door een kier keek wat er achter het scherm gebeurde. Het viel me alleen ondraaglijk zwaar dat ze hier was. ‘Rust’ verlangde ik, ik wilde alleen blijven in mijn ondergrondse. Het ‘levende leven’ drukte me, omdat ik niets gewend was, zo terneer dat het me zelfs moeilijk viel te ademen.
Maar er gingen nog een paar minuten voorbij, en ze kwam nog steeds niet overeind, alsof ze alles om zich heen vergeten was. Ik was zo tactloos zachtjes tegen het kamerscherm te kloppen om haar eraan te herinneren… Ze schrok plotseling op, sprong overeind en haastte zich haar halsdoek, haar hoedje en bontjas bijeen te zoeken alsof ze zich voor mij uit de voeten wilde maken. Twee minuten later kwam ze langzaam achter het scherm vandaan en keek me bedrukt aan. Ik grijnsde kwaadaardig, iets waar ik me toe dwong om de schijn op te houden, en keek toen een andere kant op.
‘Adieu,’ zei ze en liep naar de deur.

uit: Aantekeningen uit het ondergrondse - Fjodor Dostojevski

____