Het eerste wat je verlamt is volgens hem de droge, enorme, onverwachtse knal. Je trommelvliezen worden als eerste getroffen, het is de plek waar de gewelddaad het eerste toeslaat, waar de pijn zich doet voelen. Daarna is het de lucht die je tot je neusgaten doordringt, een prikkelende brandlucht waardoor je je gezicht afwendt. Toch is het slechts een vonk, maar je denkt aan een alles verzengend vuur, een gigantische brand binnen een fractie van een seconde. Want alles gebeurt heel snel. Je hebt nauwelijks de tijd om het te beseffen. Daarna is het het rood dat in het oog springt, het felle rood, het bloedrood dat druipt als het teken van het leven dat je lichaam verlaat, dat het ontvlucht zonder dat je iets kunt ondernemen om het tegen te houden. De stekende pijn van het verminkte vlees, van de open wond, komt als laatste. Van de gewonde pols en de doorzeefde huid voel je de pijn pas later. Het is in die volgorde dat de pijn voelbaar wordt.
Arthur vertelt, en ik geloof hem. Arthur vertelt, en ik volg hem in de stad die Brussel heet, in de hotelkamers op de hoek van de Rue des Brasseurs. Ik zie de man die onder invloed is van de drank. Ik zie zijn afgestomptheid, zijn verbittering, zijn verlatenheid. Ik zie Arthur, die de spot met hem drijft, die lacht om zijn verdriet. Ik zie de man die mijn broer bedreigt met een wapen, die roept dat hij gaat schieten, die ten slotte tweemaal vuurt.
Arthur kijkt vanmorgen naar zijn pols. Hij kijkt naar het litteken, een lelijk spoor in het verlengde van zijn aderen. Hij zegt: ‘De dood en ik zijn oude bekenden van elkaar, nietwaar?’
uit:
Breekbare dagen - Philippe Besson

____