zaterdag 28 februari 2009

In Falmouth houdt de aarde het voor gezien

Wat verderop, naar het westen, de kant op van Penzance, hebben welgestelde mensen villa’s van Victoriaanse allure. Op de punt van Cornwall. Ze gaan er in augustus heen, profiteren er van de mooie dagen en drinken thee op veranda’s met pilaren vol klimop.
In Saint Mawes organiseren ze ’s zomers zeilwedstrijden, als de stromingen van de Golfstroom het toelaten. Je ziet er witte zeilboten in volle vaart over het water vliegen, en jonge vrouwen die er vanaf de kant nonchalant voor applaudisseren.
In de richting van Fowey vind je rotsige kreken die geliefd zijn bij badgasten. Zandtongen waar kinderen ravotten.
Maar Falmouth is anders.
Volstrekt anders.
Het is geen populaire badplaats. De huizen bij de monding van de rivier zijn eenvoudig, en de bootjes ook. Natuurlijik is het weer er wel eens zacht, maar dat is haast toeval, en meer naar het zuiden, aan de kant van Swanpool, zijn de stranden meestal uitgestorven.

In Falmouth lijkt het alsof de zomer niet echt bestaat. Alsof de winter de strijd heeft gewonnen.

Ik ben geboren in de buurt van Pendennis Rise, ver van het stadscentrum. Niemand kan zich een beeld vormen van wat dat is, de rand van een stad die niets voorstelt. Op die plek hebben ze het station gebouwd. Maar er komen bijna geen treinen, en buiten het seizoen nog minder. Je komt niet zomaar toevallig helemaal hierheen. Het spoor stopt waar het Kanaal begint.

In Falmouth houdt de aarde het voor gezien. Bij de loodrechte lijn van de kliffen.

Daarna heb je de zee, de schepen, de veerboten. Ik herinner me: ik ben acht jaar als de veerboten langsvaren.

De bewoners hier zijn sinds mensenheugenis visser, of ze wachten op de terugkeer van slecht ingelichte zomergasten. In de hoofdstraat volgen de viszaken elkaar op, terwijl op de boulevard vakantiewinkels zonnebrandcrème, ansichtkaarten en strandspelletjes aanbieden. De gordijnen van die winkels zijn negen van de twaalf maanden dicht. Op de kades zijn de pubs de enige gelegenheden die het hele jaar open blijven.

Laat ik u ook nog dit zeggen: als je de rivier stroomopwaarts volgt, zie je oude betonnen lichters en de karkassen van tankers die aan het eind van de oorlog zijn achtergelaten. Wandelaars die langs de oevers lopen, toevallig of omdat ze verdwaald zijn, lopen snel door. Ik heb altijd gehouden van de aanblik van die kapotte, verroeste, vergane boten waarvoor het avontuur op deze plek is geëindigd, die kadavers van grootsheid, die kostbare, nutteloze restanten van onze gevechten. De gestrande schepen zijn voor mij de imposante, beklagenswaardige onderdelen van een filmdecor.

Zo, nu weet u alles van Falmouth.

uit: Een onbewaakt ogenblik - Philippe Besson

____