zaterdag 21 februari 2009

In het bos op die laatste berg boven het geboortedal

Volgens mij vertoont [het biografische] proces twee hoofdaspecten, of nauw verweven elementen. Het eerste is het verzamelen van feitenmateriaal, de chronologische ordening van iemands ‘reis’ door de wereld – de daden, de woorden, de vastgelegde gedachten, de namen en plaatsen op zijn weg: Het ‘leven en werk’. Het tweede is de vorming van een fictieve of denkbeeldige relatie tussen de biograaf en zijn onderwerp; niet alleen een ‘gezichtspunt’ of een ‘interpretatie’, maar een permanente, levendige dialoog tussen de twee op hun weg door hetzelfde historische terrein, langs hetzelfde spoor van gebeurtenissen. Er speelt zich een eindeloze discussie tussen hen af, een heroverweging en analyse van motieven en daden en gevolgen, een gestage, zij het onbewuste uitwisseling van opvattingen, oordelen en conclusies. Het is fictief omdat het onderwerp natuurlijk niet echt, letterlijk kan antwoorden; maar de biograaf moet gaan handelen en zijn onderwerp benaderen alsof hij dat wel kan.
Volgens mijn ervaring is het eerste stadium van een dergelijke levendige, fictieve relatie een min of meer bewuste vereenzelviging met het onderwerp. Min of meer, omdat de werkelijke elementen van vereenzelviging vaak veel subtieler en onbewuster zijn dat je in eerste instantie denkt. Dit is strikt genomen prebiografisch: het is een primitieve vorm, een soort helden-of heldinnenverering, die zich al snel ontwikkelt tot een soort liefdesverhouding. Terugblikkend op de Cevennen begrijp ik nu dat ik bij Stevenson direct in die fase terechtkwam, dat ik me hartstochtelijk vereenzelvigde met wat ik zag als zijn liefde voor het bohémien-avontuur, ‘op weg’ ging en net als hij verrukt was over alles wat Frans, origineel, excentriek was. Ik zag hem, naïef genoeg, als een directe voorganger van figuren als Jack Kerouac – zij het de Europese Kerouac, de Kerouac van de Lonesome Traveller, wat verloren en wat onzeker van zichzelf, niet de schreeuwerige Amerikaanse romanticus van On the Road. De Kerouac die, helemaal aan het einde van zijn dronken leven, terugkeert naar Frankrijk, op zoek naar de verloren wortels van zijn familie in Bretagne, naar de Lebris de Kérouack in Satori in Paris.
Nu zie ik de werkelijke motieven om me te vereenzelvigen heel anders: ze hadden te maken met de confrontatie tussen religieuze opvoeding en verloren geloof, waarbij Stevensons calvinisme te vergelijken was met mijn katholicisme. Ze hadden ook te maken met een natuurlijke strijd me te onttrekken aan goed bedoelde maar niettemin verstikkende ouderlijke invloeden. Vandaar, vermoed ik, de diepe indruk die Stevensons verkenning van het thema ‘droomjeugd’ maakte, de poëzie van de heimwee – van verre reizen over blauwe heuvels en bruine rivieren, met als enig resultaat dat je weer terug bent in het bos op die laatste berg boven het geboortedal, de kleine jongen die terug wil naar huis.
Deze vorm van vereenzelviging en zelfprojectie is prebiografisch en in zekere zin preliterair: maar het is een noodzakelijke drijfveer om in de voetsporen te treden, te proberen de weg, de reis te herscheppen van het leven van een ander in het stoffelijke verleden. Als je niet verliefd op ze bent zul je ze niet volgen – in ieder geval niet ver. Maar het ware biografische proces begint precies op het moment, op de plekken, waar deze naïeve vorm van liefde en vereenzelviging ophoudt. Het moment van persoonlijke ontgoocheling is het moment van onpersoonlijke, objectieve herschepping. Dat moment kwam voor mij vrijwel voor de eerste keer bij die brug in Langogne, de oude kapotte brug die ik niet kon oversteken, en met het plotselinge, fysieke gevoel dat het verleden inderdaad ‘een ander land’ was.

In het voetspoor van Robert Louis Stevenson [fragment]
in: Dubbelspoor : over de biografie - Richard Holmes


____