maandag 23 februari 2009

Je aanpassen om helemaal klaar te zijn voor de voorstelling

Op een ietwat oneigenlijke manier schiet haar te binnen dat er beslist geen groot verschil is tussen het leven en het toneel: je moet eerst heel lang bij jezelf de woorden repeteren die je moet zeggen, werken aan de rol die je hebt gekregen, je personage bijschaven om zo dicht mogelijk de werkelijkheid te benaderen, en vervolgens wennen aan degenen met wie je het stuk gaat spelen, hen leren kennen, je positie ten opzichte van hen bepalen, je stem verheffen om door hen te worden gehoord, de juiste afstand vinden, het juiste ritme, je natuurlijk vergissen, aarzelen, opnieuw beginnen, om clementie of stilte of aandacht vragen en ten slotte je nestelen, aanpassen om helemaal klaar te zijn voor de voorstelling. De dag van de première sta je achter het doek, je beeft, je staat op het punt het te begeven, je twijfelt of het wel zal lukken, je weet dat je niet meer terug kunt, dat je je er niet meer aan kunt onttrekken. Maar wat riskeer je nu helemaal? Je stort je erin, treedt in het voetlicht, vertolkt je rol, beseft dat het vanzelf gaat, struikelt toch een keer over een claus die je van buiten kent, die je honderd keer hebt uitgesproken zonder ook maar één keer te haperen, begint opnieuw en gaat door tot het einde. Aan het slot, als het doek valt en het applaus weerklinkt, ben je gelukkig, zou je willen dat het alweer een dag later was om dit volmaakte wonder te herhalen. Aan de tijd tussen de twee voorstellingen lijkt geen einde te komen, maar ook daar kom je doorheen. Louise is ervan overtuigd dat het toneel alle antwoorden in zich draagt.

uit: Nazomer - Philippe Besson

____