donderdag 12 februari 2009

(paars, met vergulde klink)

O, het is ingewikkeld deze kamer te beschrijven… Erg ingewikkeld zelfs. Maar Roemenië is dan ook geen eenvoudig land. Ik weet niet of men me zal kunnen volgen. De bruinhouten toegangsdeur komt uit in een gang die links wordt begrensd door de muur van de kamer en rechts door die van de badkamer. De muren zijn eierschaalgeel geverfd, het plafond onderjurkenblauw, het kamerbreed tapijt is horizonblauw en bedrukt met grijze vierkanten. Tegen de rechtermuur staat eerst, onder het witte rooster van de Henson airco, een opklapbaar bagagerek van verchroomde buizen en zwarte singels. Daarna volgt de bisschoppelijke deur (paars, met vergulde klink) van de badkamer. Vervolgens, op ongeveer 3,50 m van de ingang, maakt de wand een rechte hoek naar rechts, zodat een kleine alkoof wordt gevormd. Daarin staan een lage, ronde, driepotige tafel met een in metaal gevat glazen blad waarop een vaasje en een asbak prijken, en een blankhouten kastje met vier laden waarop een verguld metalen handvat zit. In de muur achter in de alkoof zit een glazen deur met zwart metalen lijstwerk, hij is ongeveer 2 meter hoog en 0,50 m breed en kijkt uit op een roze betegeld balkonnetje.
Bijna de hele lengte van de muur tegenover de toegangsdeur wordt ingenomen door een horizontaal raam van ongeveer 1 m hoog bij 2,50 m lang, omlijst door een zwart metalen kozijn. Voor dat raam, evenals voor de glazen deur, glijden gelige glasgordijnen en blauwe overgordijnen met witte rankversieringen en witte, met een paar geometrische motieven bezaaide stroken. Het balkon en het raam zien uit op het kruispunt gevormd door de Brezioanu-, Victor-Eftimiu- en Aristide Demetriadestraat, met in de verte de Ion-Campineanustraat, een plein en de zuilenrijen van het Museum. Auto’s (vooral Dacia’s), grauwe gebouwen (met ondermeer het gebouw waarop in blauwe letters APA BUCURESTI geschreven staat, Water van Boekarest), oranje straatlantaarns. Op de strada Campineanu, voorbij het Apa Bucuresti, een toren van achttien verdiepingen, genre woonkazerne. De vrij smalle Eftimiustraat, die onder het balkon en het raam ligt, loopt naar het Cismigiupark waarvan je op een honderdtal meter het donkere lover kunt zien. De oranje lampen zijn met een kettingsysteem in het midden van de straat opgehangen. In de zes verdiepingen van het gebouw aan de overkant bevindt zich ietwat lager één verlicht en openstaand raam: een fel tl-licht onthult een overvolle werkkamer (flessen mineraalwater en sinaasappelsap, rollen papier, een computer, een zwarte kunstleren draaistoel). Een vrij jonge, nogal atletisch gebouwde man met blond halflang haar zit in een zwart T-shirt met korte mouwen op de draaistoel. Beneden op straat zitten twee kerels in hemdsmouwen op witte plastic stoelen. Ergens in de nacht blaft een hond zonder ophouden.
Tussen een dikke zuil en linkermuur bevindt zich de toegang tot de eigenlijke kamer die ongeveer 4,5 x 4,5 m meet. In de hoek gevormd door de zuil en de gevelmuur staat een gecapitonneerde fauteuil bekleed met een witte stof met blauwe motiefjes, die eigenlijk uit de stroken van de overgordijnen is gesneden. Erboven een in donkerhouten latjes ingelijste sepiafoto van het vooroorlogse Boekarest. Vervolgens biedt een ander horizontaal raam, symmetrisch met het eerste en met dezelfde gordijnen, hetzelfde uitzicht op dezelfde Victor Eftimiustraat.
Het lits-jumeaux staat tegen de muur die een rechte hoek met de vorige maakt. Hoog hoofdeinde in imitatie-eikenhout. Witte sprei met blauwe ranken (de andere strook van de overgordijnen, het is allemaal vreselijk ingewikkeld…). Op elk van de twee kubusvormige nachtkastjes met twee laden staat een vergulde metalen lamp met witte stoffen kop en gegroefde schacht. Op het meest linkse kastje (in de hoek van de andere wand) staat ook nog een zwarte telefoon van het merk Alcatel. Erboven, tussen de bedden, hangt een grote sepiafoto van het oude Boekarest, met de heuvel van het Patriarchaat om precies te zijn.
De muur tegenover het raam is leeg, op een grote sepiafoto in het midden na: er is een grote menigte op te zien van alleen maar mannen met een bolhoed, die paraplu’s opsteken. Het zullen wel parasols zijn, want het lijkt heel zonnig, en ze verdringen zich voor bevlagde gebouwen. Op de laatste muur, die de afscheiding vormt met de hal, hangt een spiegel met een lijst van imitatie-eikenhout. Eronder een bureau van hetzelfde hout, met in de uitsparing rechts de minibar. Er staat een Philips tv op, een verchroomd dienblad met twee kopjes, twee glazen, een waterkoker en zakjes thee, een vergulde metalen lamp gelijkend op het eerder beschreven exemplaar.
In de lagergelegen verlichte kamer maakt de atleet met het blonde halflange haar, wiens zwarte T-shirt met korte mouwen een paar als hammen gebeitelde armen bloot laat, zenuwachtige halve cirkels met de zwarte kunstleren draaistoel waarop hij zit, van rechts naar links en daarna van links naar rechts. Ondertussen spant en ontspant hij dwangmatig een soort knijper met veer, die dient om zijn handspieren te trainen. Aan zijn platte hoofd heb ik onmiddellijk Medusa, de Lipoveense huurmoordenaar, herkend. Het relaas van de omstandigheden waarin ik voor het eerst de wegen van dit sinistere waarin ik voor het eerst de wegen van dit sinistere personage kruiste, zou me te ver leiden, daarover zal ik het (misschien) hebben in een ander verhaal. In de huidige omstandigheden heb ik de tijd niet om me over mijn herinneringen te buigen: ik weet alleen dat ik hem moet beletten Melanie Melbourne, mijn zwijgzame en immer gevaar lopende geliefde te vermoorden. Melanie Melbourne voelt zich ontegenzeggelijk aangetrokken tot het hol van de leeuw. Deze aanleg voor de catastrofe zou irritant en zelfs ontmoedigend kunnen zijn: maar ik interpreteer hem als een opeenvolging van kansen die ze me biedt om haar mijn liefde te bewijzen. Melanie houdt zoveel van me dat ze voortdurend haar leven op het spel zet om het mij mogelijk te maken haar te redden: allerhoogste edelmoedigheid! Deze gedachte doet een traan bij me opwellen, die ik met de rug van mijn hand wegveeg. Het is niet het juiste moment voor een onscherpe blik. Langzaam, verstopt achter de blauwe overgordijnen met witte ranken van kamer 503, laad ik mijn Glock 17. De hond blaft nog altijd.

Handgeschreven tekst op schutbladen gescheurd uit Moravagine, van Blaise Cendrars, éditions Denoël.

Kamer 503, hotel Opera, 37 strada Brezoianu, sector 5, Boekarest
uit: Suite in het Crystal - Olivier Rolin

____