donderdag 12 februari 2009

Wij kleden de naakten aan

Wat is nu mijn strikt persoonlijke ervaring met poëzielezingen? Oude vrouwtjes: die hebben een zwak voor me. Die voelen de verplegersziel in mij en mijn empathie met mislukte mensen van wie mijn poëzie een hele portrettengalerij in de aanbieding heeft. Het hoge deernisgehalte in mijn werk heeft voor sommigen onder hen biljkbaar iets aantrekkelijks. En ja, het is waar: ik wil alles wat ontluisterd is zijn luister terugschenken; ik wil opluisteren wat nooit luister heeft gehad, onder het motto ‘Klein gebrek, geen bezwaar’. Deze overtuiging neemt in mijn poëzie vooral toe vanaf de bundel Dikke mensen (1989). Naar aanleiding daarvan heb ik in interviews ontelbare keren geopperd dat wie geslaagd is en het gemaakt heeft, niet echt een verhaal heeft. Dikke mensen worden in die gedichten daarentegen beschouwd als individuen die wel een verhaal hebben. Misschien dat hun soms komisch lichaamsvolume daar een rol in speelt. Hun gebrek is hun teveel. Meer dan anderen vullen zij de wereld. Dankzij hun vlezige eenmansactie is dit onbegrijpelijke heelal iets minder leeg. Dikte is hun bewijs van aanwezigheid. Alsof deze dragers van al dat overtollige de aandacht op zichzelf willen vestigen. Corpulentie is hun manier om te zeggen: voilà, hier ben ik. Maar er is wel een dichter nodig die hen dit laat zeggen, iemand die eropuit is hun de eer te geven die hun toekomt.
Wie het niet gemaakt heeft, staat ons toe zijn verhaal te voltooien. Succes is al voltooiing: daar dienen voor de rest geen woorden aan vuilgemaakt. Wij retoucheren schrijvenderwijs de ander, wij kleden de naakten aan, zeker niet alleen uit altruïsme, maar ook om er zelf minder volmaakt bij te lopen. Een dichter is een kreupele met een uitgesproken voorkeur voor de beoefening van de hinkstapsprong. Met het oog op de Olympische Spelen bij lange na niet goed genoeg bevonden voor een selectie, maar de onbetwiste heerser, de gouden medaille van de Paralympics.
Solidariteit met de minder vermogende medemens is ook een kenmerk van mijn latere bundels. Je hoeft, heb ik de indruk, soms alleen maar naar gezichten te kijken: wat door leed is getekend, is zoveel expressiever. Alleen leed legt bloot wat zich onder oppervlakte bevindt en verraadt menselijkheid. Geluk en zeker zijn dommige broertje dat tevredenheid heet, zijn wel mooi, maar hebben weinig te zeggen. Al ben ik het natuurlijk eens met wat Alberto Morovia zijn heldin laat zeggen in La Romana: dat alle mensen hoogstwaarschijnlijk medelijden verdienen, alleen al omdat zij leven. Dus ook hij die zwelgt in tevredenheid?
Maar terug naar het lezingencircuit. Eén ding dreigt, bij welke voordracht dan ook, verloren te gaan: betekenis. Poëzie is namelijk het allertraagste literaire medium. Het vereist geduld en huldigt het surplacen van het woord. Voorlezen impliceert snelheid, gunt de toehoorder nauwelijks bezinking of bezinning en sluit herneming uit. Daarnaast bestaat het gevaar dat er een nieuwe, eenkennige literaire consensus groeit ten voordele van gedichten met een grote mate van toegankelijkheid en/of spektakelwaarde.
Heeft een dichter die met zo’n hypothetische consensus rekening houdt, dan toch ongelijk? Ik geeft toe dat ook ik, wanneer ik voorlees, gedichten selecteer die het op het podium ‘doen’, al ga ik niet zo ver dat ik ze ook met dat doel schrijf. Niet alles is nu eenmaal even geschikt voor de vluchtige planken. Je kunt van een toehoorder nooit verwachten dat hij even snel tot de kern van een gedicht doordringt als wie het in alle rust en kalmte kan lezen en herlezen. Het is overigens ook niet iedere bezoeker van een poëzie-happening om de poëzie zelf te doen. Vaak is de confrontatie met de (relatief) bekende dichter voldoende. Maar soms werkt een optreden stimulerend. Wat je hoort, wil je soms ook lezen, ter bevestiging of ter ontkenning van een eerste indruk; een indruk die ontzettend belangrijk is voor de poëzie, zelfs als hij misverstanden doet ontstaan. Maar tot de dag van vandaag willen sommigen alleen lezer zijn, anderen alleen luisteraar. Ik, die zowel wil schrijven als spreken, heb dat vreemde schisma tussen die twee groepen poëzieliefhebbers nooit goed begrepen.

uit: Pizza peperkoek & andere geheimen : gedichtendagessay 2009 - Luuk Gruwez


____