donderdag 26 maart 2009

431.286

Er is een Vietnamees vers uit de 15de eeuw dat luidt: “Thua giây làm chi cha ve voi?” en wil zeggen: “Als er dan toch wit overblijft op het papier, waarom er geen olifant op tekenen?” Als je het ons vraagt, vormt deze dichtregel een illustratie van een dwingende behoefte die van oudsher in de mensheid schuilt. Wie denkt hierbij niet aan de dieren die door verre voorouders in onze gewesten op de rotswanden werden gekrast? Waren onze voorouders alleen maar gebiologeerd door de wezens die voor hen vlees én vrees betekenden? Of was het de behoefte om iets te ‘maken’, iets uit te beelden, om hun wereld in kaart te brengen?
Het bewuste Vietnamese vers slaat op de overmoed van een student die het waagde bij het officiële staatsexamen in het antieke Vietnam (dat het Chinese examenstelsel kende) onderaan op zijn blad een olifant te tekenen, omdat hij daar toch plaats overhad. Dat zou je dan een vroege vorm van graffiti kunnen noemen. Een mengsel van provocatie en verbeeldingskracht. Een daad om de verveling te verdrijven. Zitten we hiermee niet bij wat literatuur vandaag nog altijd voor een groot stuk betekent?
Heel wat literatuur in het oude China ontstond rond de driejaarlijkse officiële examens, die de klassieken als onderwerp hadden. De studenten dienden de klassieke boeken rats van buiten te kennen en daarenboven ook een lange verhandeling te brouwen waarin een ortodoxe interpretatie werd gebracht van deze geschriften.
De stress bij zo’n examen moet verschrikkelijk geweest zijn. Een Japanse sinoloog heeft een paar jaar geleden de geheugencapaciteit eens berekend waarover zo’n Chinese student diende te beschikken. Alvast moest de knaap tussen zijn acht en vijftien jaar de Vier Chinese Klassieken woord voor woord absorberen. Dat waren, met de Japanse computer vandaag geteld: 431.286 Chinese karakters. Dat betekende dus dat hij niet minder dan 200 karakters dagelijks diende te memoriseren. Anders kwam hij er niet. Daarbij moet je weten dat van deze examens (in drie trappen: op lokaal, provinciaal en nationaal vlak) mislukking of welvaart in zijn verder leven afhing.

Alles wat niet met zijn boeken te maken had, moest zo’n knaap maar uit zijn hoofd zetten. Een Chinese keizer uit de Sung-periode heeft, ter aanmoediging van de studenten, een gedicht geschreven waarin hij hen de welvaart die de geslaagden te wachten stond voor ogen toverde: “Om je familie rijk te maken hoef je geen vruchtbaar land te kopen, in boeken vind je duizend maten graan. Om een makkelijk leventje te hebben hoef je geen villa te bouwen, in boeken staan huizen van goud opgetrokken. In boeken tref je meisjes aan met een gezichtje van jade. Iemand die jong is en wat wil, legt zich toe op de klassieken, gaat voor het raam zitten en studeert.”
Wanneer de dag van de examens aanbrak, werden de kandidaten met papier en penseel opgesloten in cellen waarin slechts een tafel en een stoel stond. Ze bleven er twee dagen en een nacht. Er waren er die gek werden en er waren er die doodgingen. Omdat op de deuren het keizerlijke zegel zat, kapte men in het laatste geval een gat in de muur om het lijk eruit te halen.
Uiteraard gebeurde het dan nog dat er met de opgaven gefraudeerd werd. Maar nog meer kandidaten rekenden op bovenaardse bijstand. De God van de Literatuur werd druk bezocht. Opmerkelijk is dat die zich in de Chinese mythologie liet helpen door twee discrete dienaren, van wie de ene doof en de andere stom was. Wat voor een sterveling de communicatie fel bemoeilijkte.

Heel wat Chinese literatuur is ontstaan uit de verveling en wanhoop die in een verhevigde vorm optrad toen men niet opgewassen was tegen de examendruk. De student-van-het-late-avonduur is de held van de Joe Poe Tuan, een Chinese erotische roman uit de 17de eeuw. De schrijver Li Yu putte uit zijn eigen ervaringen bij het Centraal Staatsexamen in Peking.
En er was ook weerwerk van demonen die de examinandi onophoudelijk plaagden. Ze namen meestal de gedaante van muggen aan. De diertjes plachten van een ogenblik onoplettendheid gebruik te maken om op het examenblad een paar zwarte spoortjes achter te laten die aan een Chinees karakter al vlug een heel andere betekenis gaven. Het geval is bekend van een doctorandus die door zo’n mug werd gered, doordat het insekt precies iets had achtergelaten op de plaats waarin in een Chinees letterteken een beentje ontbrak. Maar dat was naar verluidt de beloning voor een vroom man die in zijn leven zelf nooit een vlieg kwaad had gedaan. Een boeddhistische gelovige wellicht die nooit een levend wezen had vertrapt.

Een olifant op het examen [fragment]
uit: De tante van Conrad : verhalen over boeken - Marcel van Nieuwenborgh

____