Tegen een dergelijke voorstellling van zaken zijn nogal wat bezwaren geformuleerd, met name door kenners van de Middeleeuwen. In hun ogen worden de verschillen tussen de orale en schriftelijke culturen veel te sterk aangezet en doet men de mondelinge tradities ernstig tekort. Deze twee werelden zouden niet op gespannen voet met elkaar staan maar elkaar juist aanvullen. De westerse samenleving heeft immers nooit een volledig schriftloze cultuur gekend. Ook de orale traditie heeft altijd een rol in die samenleving gespeeld. Voor een dergelijke stelling is veel bewijsmateriaal uit de tijd zelf aan te voeren. De voortreffelijk literair geschoolde zesde-eeuwse bisschop Gregorius van Tours bijvoorbeeld bewoog zich met groot gemak in beide werelden. Als ervaren schriftgeleerde analyseerde en ontmaskerde hij probleemloos geschreven teksten. Als zielzorger manipuleerde hij echter even moeiteloos de bijbeltekst als magisch instrument. Het is bovendien niet onaannemelijk dat historici zich in hun bevindingen over de betekenis van het schrift veel te veel hebben laten leiden door de geletterde elites uit de Middeleeuwen – en zij hebben nu eenmaal praktisch als enige bronnenmateriaal overgeleverd. Die schrijvende elite had er immers belang bij geletterdheid op een voetstuk te plaatsen. Daarmee is een traditie gegrondvest die tot de dag van vandaag invloed heeft: nog steeds worden analfabeten als deerniswekkende en kansloze individuen beschouwd. Begrijpelijk is die gevoeligheid voor de pretenties van de middeleeuwse geletterde elites overigens wel. Historici zijn nu eenmaal boekenvolk. En juist die categorie mensen heeft het bijzonder moeilijk om zich een interessante wereld zonder schrift, tekst en boek voor te stellen. Dat leidt haast onvermijdelijk tot een perspectivische vertekening waarbij orale tradities onwillekeurig als van minder waarde worden aangeduid.
Ook al hebben de critici hiermee enkele zwakke plekken in de redenering blootgelegd, de stelling over het verband tussen de introductie van het schrift en het succes van de westerse beschaving is hiermee nog allerminst afdoende weerlegd. Mogelijk ontbreekt er nog een element in de argumentatie. Het Griekse alfabet, zo hebben we al vastgesteld, was in principe democratisch, want iedereen kon het snel leren. En dat betekende meteen een fundamenteel verschil met de Chinese beschaving waarin de complexiteit van het schrift de daarop gebaseerde cultuur automatisch tot een elite-aangelegenheid maakte. Zou het bijzondere van de westerse beschaving niet zijn dat hierin het schrift nooit, althans niet voor langere tijd, principieel tot het exclusief eigendom van de elite is gemaakt? Het bijzondere van de middeleeuwse beschaving is dan geweest dat ze vanaf de twaalfde eeuw een proces op gang heeft gebracht waarin het schrift door scholing systematisch ter beschikking van steeds meer mensen werd gesteld. Daarmee is het probleem van de superioriteit van de westerse beschaving nog lang niet opgelost, maar misschien wel iets scherper gesteld. En ook dat is winst.
9de eeuw [fragment] - Wijnand Mijnhardt
uit: Twintig eeuwen zien op u neer : een wereldgeschiedenis vanuit Europees perspectief - Herman Beliën, Fik Meijer, Wijnand Mijnhardt en Peter Raedts


____