En wat een boek al weer. ‘De rol van de vrouw in de kathedralenbouw’. De vrouw speelde daar helemaal geen rol in. Zo eenvoudig is dat.
Het dwaze geschrift wordt uitgegeven door de uitgever van mijn balorige boekje. ‘Lesbisch gedram’ noemt hij het onder vier ogen. Maar op een persconferentie noemt hij het ‘een belangwekkende poging om de schandalige onderdrukking van de vrouw ook eens aan te tonen op een gebied dat tot nu toe verwaarloosd is door de wetenschappelijke onderzoekers’.
Dat er nagedacht wordt op de wereld is net zo’n schijn als dat de mensen bekommerd zouden zijn om het lot van de anderen. Het geestesleven: één groot gegons van behaagzieke nonsens, en als je niet doodgeslagen wilt worden, gons je beter maar mee.
Vertalen dus. ‘Illustratief voor de vrouwvijandelijke instelling van de gotische bouwmeesters is dat van de vijftig luchtboogfiguurtjes van de Sint-Jan slechts twee een vrouw voorstellen…’
Ik maak een braakgeluik en stap uit mijn raam – aan de binnenkant wel te verstaan. Ik krijg er altijd spierpijn, in de houding met opgetrokken knieën. Naarmate ik er langer zit, moet ik steeds vaker opstaan om even op en neer te lopen over mijn zolder. Werken is een vloek. Het elfde gebod moest luiden: Gij zult niet werken.
Er wordt gebeld. Aan de parlofoon hoor ik Henk, die bij me komt logeren vanuit Amsterdam. Ik zet de voordeur vast open. Terwijl mijn bezoek de vijfennegentig treden opklimt, kan ik altijd nog een boel doen. Opstaan, scheren, wassen en watergolven. Nu schiet ik een T-shirt aan. Ik zou Henk niet graag bloot aantreffen in zijn huis. Hij moet mij dus ook maar niet bloot aantreffen.
Maar als ik m’n hoofd net in het witte katoen heb gestoken, hoor ik het driftig tikken van hondepootjes op het zeil van de gang. Pietersen draaft binnen, de hond van Henk. Heeft hij dat kreng ook meegebracht? Honden horen niet in de stad. In de goot ermee en vervolgens uit de stad, het liefst in één beweging.
‘God, wat woon je hoog.’
‘Dat is God eigen.’
____
