donderdag 19 maart 2009

Door zichzelf uit de Hof van Eden verdreven

Uit de gegevens op graven in Çatal Hüyük is afgeleid dat de gemiddelde levensverwachting voor vrouwen negenentwintig jaar was en voor mannen vierendertig. Al rond 6000 v. Chr. is er sprake van grootschalige ontbossing en erosie. Achteloze brandstichting en overbegrazing door geiten waren misschien de belangrijkste boosdoeners, maar ook het branden van kalk voor witsel en pleisterwerk droeg bij aan de ontbossing en het ontstaan van het woestijnachtige doornstruikenlandschap zoals we dat nu kennen. Rond 5500 v. Chr. waren de meeste neolithische nederzettingen verlaten. Net als op het Paaseiland hadden de mensen hun eigen nest bevuild, of liever gezegd kaalgevreten. Maar anders dan op het Paaseiland was hier ruimte om te vluchten en elders opnieuw te beginnen.
Door zichzelf uit de Hof van Eden verdreven (Gods vlammende zwaard was hierbij misschien zichtbaar in de gloed van de branden die ze zelf op de heuvels hadden aangestoken), vonden ze een tweede paradijs wat verder stroomafwaarts, in het brede stroomgebied van de Eufraat en de Tigris, in het land dat Mesopotamië of Irak wordt genoemd. Hoe dit gebied eruit ziet, staat dankzij de recente hevige oorlogen scherp op ons netvlies: boomloze vlakten en verdroogde oase’s, zoutpannen, zandstormen, olievlekken en uitgebrande tanks. Hier en daar liggen, verspreid in het zand en afbrokkelend in de meedogenloze zon en de geselende wind, heuvels van leem en baksteen – de resten van oeroude steden waarvan de namen nog steeds luid door de kelders van onze cultuur galmen: Babylon (Babel), Oeroek en Oer der Chaldeeën, waar Abraham werd geboren.
Lang geleden, in het vijfde en vierde millennium v. Chr., bestond Zuid-Irak uit een moerasdelta met talrijke waterlopen die krioelden van de vis, met huizenhoog riet en vruchtbare landstroken waarop dadelpalmen groeiden. In de rietlanden leefden wilde zwijnen en watervogels. De alluviale bodem was uiterst vruchtbaar: als hij werd bewerkt, kon ieder zaadje het honderdvoudige opleveren, want dit was nieuwe grond, die door de rivieren aan de benedenloop aan de Perzische golf was afgezet. Dat ‘nieuw’ is bij wijze van spreken: de mensen die zich hier vestigden, waren in feite hun oude akkers nagereisd, die van uitgeputte heuvels waren weggespoeld en meegevoerd door de grote rivieren die, zoals de Bijbel vermeldt, uit de Hof van Eden naar beneden stromen.
God had de kinderen van Adam en Eva een tweede kans geboden, maar in tegenstelling tot de oorspronkelijke Hof van Eden gold voor deze gerecyclede versie dat wie niet werkte ook niet zou eten. ‘De exploitatie van dit natuurlijke paradijs,’ schreef Gordon Childe in zijn klassieke werk The Most Ancient East, ‘vereiste intensieve arbeid en gecoördineerde samenwerking van grote groepen mensen. Het bouwland moest letterlijk worden gecreëerd… door het land van het water te “scheiden”. Moerassen moesten worden drooggelegd, waterlopen onder controle gebracht. Het leven brengende water stroomde via kunstmatige kanalen naar de regenloze woestijn.’ Het lijkt erop dat de hiërarchische structuren van de beschaving zich, althans in dit geval, met de toenemende behoefte aan waterbeheersing hebben ontwikkeld.

uit: Kleine geschiedenis van de vooruitgang - Ronald Wright

____