maandag 16 maart 2009

Een circuswereldeinde, tweewielig, een-twee-drie gegoocheld

Op een goede dag kwam mijn broer van school thuis met het onwaarschijnlijke doch ware nieuws dat het einde van de wereld nabij was. We lieten elkaar het elkaar nog eens zeggen, we dachten het verkeerd gehoord te hebben. Maar nee, zo en niet anders luidde dit ongeloofwaardige, alleszins onbevattelijke nieuws: jazeker, zoals de wereld ervoor stond, onvoorbereid en onvoltooid, op een willekeurig punt in tijd en ruimte, met een onafgesloten balans en zonder enige eindstreep bereikt te hebben, als het ware midden in een zin, zonder punt en uitroepteken, zonder gericht en toorn van Godswege – min of meer als de beste vrienden, loyaal, met wederzijds goedvinden, volgens beiderzijds erkende principes – zou de wereld aan haar einde komen, simpelweg, onherroepelijk. Nee, dit was niet de eschatologische, sinds jaar en dag door de profeten voorspelde tragische finale en slotakte van de Goddelijke Komedie. Nee, het was eerder een circuswereldeinde, tweewielig, een-twee-drie gegoocheld, prachtig hocus-pocus, leerzaam-experimenteel, toegejuicht door alle geesten van de vooruitgang. Zo goed als iedereen gaf zich direct gewonnen. Zij die bang werden en protesteerden werden ogenblikkelijk overschreeuwd. Wilden ze werkelijk niet begrijpen dat dit gewoon een ongehoorde kans was, het meest progressieve, meest liberale wereldeinde, de tijd waardig, zonder meer eervol en de Hoogste Wijsheid erend? Men argumenteerde geestdriftig, tekende het ad oculos op uit de agenda gescheurde blaadjes, toonde het onweerlegbaar aan, sloeg er de opponenten hard mee om de oren. In de geïllustreerde bladen verschenen paginagrote prenten, schilderingen die in aangrijpende taferelen op de catastrofe vooruitliepen. Daar zag je volkrijke steden in nachtelijke paniek onder een hemel die schitterde van de lichtsignalen en –fenomenen. De verbazingwekkende activiteit van de verre bolide was al zichtbaar, onveranderlijk met de parabolische top op de aardbol gericht bleef ze in onbeweeglijke vlucht aan de hemel staan, onderwijl met een snelheid van zo-en zoveel mijl per seconde dichterbij komend. Als in een circusklucht vlogen deuk- en bolhoeden omhoog, rezen haren te berge, klapten paraplu’s open en werden onder opstijgende pruiken kale kruinen zichtbaar – terwijl de hemel, zwart en reusachtig, flikkerde van het alarm van alle sterren tegelijk.
Iets feestelijks stroomde ons leven binnen, een soort enthousiasme en vurigheid, gewichtig en solemneel, tekende, onze bewegingen, liet onze borst opzwellen in kosmisch zuchten. Na het donker worden ziedde de aardbol van feestgewoel, van de saamhorige extase van duizenden. Eindeloos uitgestrekte, zwarte nachten braken aan. Sterrennevels verdichtten zich in ontelbare zwermen rond de aarde. In de zwarte planetaire ruimtes stonden die zwermen elk verschillend gerangschikt, van afgrond tot afgrond stof van meteoren morsend. In het oneindige ruim verdwalend verloren we de aardbol bijna onder onze voeten, gedesoriënteerd, zonder enig richtinggevoel, hingen we onze antipoden met het hoofd omlaag boven het omgekeerde zenit en zwierven langs de sterrenhopen, met een belikte vinger door hele lichtjaren gaand van ster tot ster. Zo dwaalden we in een ordeloze gereikte tirailleurslinie door het wereldruim, in alle richtingen over de nimmer eindigende trappen van de nacht uiteenstuivend – emigranten van een verlaten aardbol die de onmetelijke mierenhoop van sterren plunderden. De laatste slagbomen gingen op en onze wielrijders reden het heelal in, bleven in roerloze vlucht steigerend op hun vélocipèdes in de planetaire leegte hangen die steeds weer nieuwe constellaties ontsloot. Langs dit doodlopende spoor stippelden ze de wegen en tracés van de slapeloze kosmografie uit, in wezen waren ze echter, zwart als roet, in planetaire lethargie verstard, alsof ze hun hoofd in de luchtklep van de kachel hadden gestoken, het eindpunt en doel van al die blinde vluchten.
Na een korte, rommelige dag die half werd verslapen, ging de nacht als een kolossaal en druk vaderland open. De straten werden bevolkt door mensenmenigten, ze spoelden over de pleinen, hoofd op hoofd, onder de pikzwarte nacht met al zijn sterrenrumoer naa buiten gutsend als korrels glinsterend kaviaar uit opengebroken vaten, stromend in rivieren. Trappen stortten in onder het gewicht van de duizenden, in de ramen verschenen vertwijfelde figuurtjes, mensen als zwavelkoppen op bewegende stokjes stapten in maanziek bezetenheid over de vensterbank, vormden als mieren levende kettingen, hopen en colonnes die, de een op de schouders van de ander, van de ramen afdaalden naar de terrassen van de pleinen die baadden in het licht van de brandende piktonnen.

uit: De komeet - Bruno Schulz

____