Of hij wilde opzoeken waar ik Gustaaf Vermeersch kon vinden, gestorven in het jaar 1924, herhaalde ik daar, en voegde er meteen aan toe dat hij een schrijver was. Hij rees op vanachter zijn bureau, bewoog zich naar een dossierkast, trok een lade open en liet zijn vingers door een verzameling fiches wandelen. Vervolgens schudde hij zijn hoofd, nam opnieuw plaats aan zijn bureau, boog diep voorover en kwam weer te voorschijn met een haast uiteenvallend schriftje in zijn hand. ‘1924?’ vroeg hij, bladerend in het notitieboekje, ‘Vermans, Vermeer, Vermeire, Vermoten,… nee, geen Vermeersch. U bent zeker dat…? Heeft hij een eeuwigdurende vergunning?’ Toen schudde ik mijn hoofd en dacht daarbij aan de brief die Louise Pelicaen een paar weken na Vermeersch’ dood naar Richard de Cneudt had gestuurd: ‘Mijn gedachten wonen op het kerkhof – en me dunkt dat ik de wereld aankijk… met de oogen van een doode! Ja, op ’t kerkhof… waar ons Gustaafke daar ligt tussen die… massa… verloren!... Ach, ik kan hem geen praalgraf oprichten! Ik kan de grond niet kopen waar hij sluimert…’
‘Dan is zijn graf al lang verdwenen,’ velde de rijzige wachter het verdict. Hoewel ik deze boodschap had verwacht, was ik verontwaardigd. Hoe kon men zoiets laten gebeuren? Waarom had de stad Aalst zijn verantwoordelijkheid niet genomen? In een flits zag ik voor mijn ogen hoe het kruis op zijn laatste rustplaats uit de grond werd getrokken, hoe een spade de aarde begon om te woelen, hoe zijn bleke knekels en schedel werden bovengehaald en hoe er een flinke rochel in een der holle oogkassen van ‘de activist’ werd gespuwd.
Of hij mij kon vertellen wanneer zijn graf was geruimd, vroeg ik de kerkhofwachter toen, waarop hij mij verduidelijkte dat zoiets niet werd genoteerd, maar dat de meeste lijken hooguit twintig jaar rust werd gegund. Twintig jaar? Dus moest hij vlak na de Tweede Wereldoorlog zijn opgedolven, dacht ik, als hij niet reeds tijdens die oorlog uit eigen beweging uit zijn graf was opgestaan om pamfletten uit te delen en kreten te schallen voor zijn Vlaanderen.
Of hij dan de plaats kon achterhalen waar zijn graf had gelegen? Nee, want die schriftjes rustten al jaren in de archieven van het stadhuis, verduidelijkte de geduldige man, misschien konden ze me daar wel helpen.
Nog even begaf ik mij toen op de begraafplaats, daarbij haast struikelend over de sombere arduinen grafzerk van Louis Paul Boon, die het eerste stekje in de voorste rij graven toebedeeld had gekregen. Korte tijd verwijlde ik voor zijn graf, sprak hem binnensmonds toe en kuierde toen voort, wezenloos starend naar de tientallen zerken waarop de verouderde term ‘eeuwigdurende grondafstand’ was aangebracht.
Later vernam ik van de burgerlijke stand der stad Aalst dat alle sterfregisters uit de jaren 1922, 1923 en 1924 op onverklaarbare wijze uit het archief waren verdwenen.
Niets rest er heden ten dage in Aalst van Gustaaf Vermeersch. Zijn sterfhuis, villa Rozenoord, werd afgebroken, zijn grafzerk geruimd en het register waarin zijn naam voorkwam onvindbaar weggelegd. Als een rijpe zweer heeft Vlaanderen weer een sociaal-bewogen schrijver uitgeknepen, het pus achteloos met enkele vegen wegstrijkend. Een van de zinnen die hij in het verhaal ‘Het puin’ neerschreef benadert nu de wrange werkelijkheid: ‘Ik zag rondom mij het groeiend geweld, doch de levensadem doortrilde niet meer mijn leden. Straks zal er ook onkruid op tieren en de bouwstoffen die mijn geest eens verzamelde zullen dienen tot voedsel aan het gedachteloze; mijn geest zal elders dolen, vergeten en onbekend.’
