dinsdag 17 maart 2009

Het is te merken dat meneer niet het ongeluk heeft van het vak te zijn

In Parijs vindt Lucien [de hoofdfiguur van Verloren illusies van Balzac] aansluiting bij een groepje intellectuelen dat een leidende rol speelt in de uitgeverij en de pers, en komt hij er spoedig achter hoe het in deze kringen, waarin literatuur en kunst worden voortgebracht, werkelijk toegaat, wat zeer ver af staat van de illusies die hij zich daarover maakt. Deze werkelijkheid wordt hem nietsontziend onthuld tijdens een gesprek met een van zijn nieuwe vrienden, de journalist Lousteau. Deze is door geldgebrek gedwongen een aantal boeken aan een boekhandelaar, Barbet, terug te verkopen. Sommige ervan zijn nog niet eens opengesneden, hoewel Lousteau de directeur van een krant beloofd had er een recensie over te schrijven:
Barbet bekeek de boeken, waarbij hij vooral op de hoeken en de omslagen lette.
‘O! Ze zijn in de beste staat!’ riep Lousteau uit. ‘De Reis naar Egypte is niet opengesneden, Paul de Kock en Ducange ook niet, en ook het boek daar op de schoorsteenmantel, Beschouwingen over het symbolische, niet; u mag het hebben, de mythen die erin staan zijn zo vervelend dat ik het u cadeau doe, dan hoef ik de duizenden mijten niet te zien die er binnenkort uit zullen kruipen.’
‘Maar hoe schrijft u uw recensies dan?’ vroeg Lucien.
Barbet wierp Lucien en blik toe die opperste verbazing uitdrukte, daarna keek hij weer naar Etienne en zei spottend: ‘Het is te merken dat meneer niet het ongeluk heeft van het vak te zijn.’
Verbaasd dat je een artikel kunt wijden aan een boek dat je niet gelezen hebt, kan Lucien het niet nalaten Lousteau te vragen hoe hij denkt aan te pakken om wat hij de krantendirecteur beloofde na te komen:
‘En uw artikelen?’ vroeg Lucien toen ze even later richting Palais-Royal reden.
‘Ach! U hebt er geen idee van hoe je zoiets in elkaar flanst. Wat De Reis naar Egypte betreft heb ik het boek geopend en hier en daar een stukje gelezen zonder het open te snijden, waarbij ik elf fouten in het Frans tegenkwam. Ik zal er een kolom aan wijden en daarin zeggen dat de schrijver dan verstand mag hebben van het eendentaaltje dat in de Egyptische zuilen gebeiteld staat die obelisken genoemd worden, maar dat hij het in zijn eigen taal laat afweten, en dat zal ik hem bewijzen ook. Ik zal zeggen dat hij zich, in plaats van ons verhalen op te dissen over natuurlijke historie en oudheden, uitsluitend had moeten bezighouden met de toekomst van Egypte, de vooruitgang van de beschaving, de manier om te bewerkstelligen dat Egypte opnieuw een deel van Frankrijk wordt, dat, na het veroverd en weer verloren te hebben, nog steeds het geestelijk overwicht heeft het land aan zich te binden. Daarna een lang vaderlandslievend betoog, het geheel doorspekt met uitweidingen over Marseille, de Levant en onze handelsbelangen.’
Op de vraag van Lucien, die wil weten wat Lousteau gedaan zou hebben als de schrijver het over politiek had gehad, antwoordt zijn vriend zonder blikken of blozen dat hij hem verweten zou hebben de lezer te vervelen, in plaats van aandacht te schenken aan de Kunst, en de schilderachtige kanten van het land had moeten beschrijven. Hij kan het trouwens op nog een andere manier aanpakken door zijn vriendin, de toneelspeelster Florine, het boek te laten lezen, ‘de grootste lezeres van romans ter wereld’. En pas als zij zich heeft geĆ«rgerd aan wat zij ‘literaire dikdoenerij’ noemt, onderwerpt hij het boek aan een nadere beschouwing en vraagt hij de uitgever om nog een exemplaar om er een gunstig artikel over te schrijven.

uit: Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen - Pierre Bayard

____