en het nestelen nog wiegen was.
Uitgerookt en beladen
met de leegte van het inzicht, uit het nest
kruipen en rennen naar de stippen in de tijd.
Het hunkeren naar de weelde van verre profeten.
‘Platgewalst, maar op vrije voeten,’ dacht hij,
‘Blazuin, bazoen!’
De met bloed besmeurde buidel
werd eerbiedig omzeild. Binnenhuids
wuiven.
In ’t brandpunt het dwingend bestand. Beteuterd
na de storm: zachte woorden onder de vleugels.
Zij: (dreigend) Wie is daar?
Hij: (kloekmoedig) Koekoek.
Zonder ik, 1
____
