Ook titels die Kisch in de daaropvolgende jaren aanbood, riepen snelheid en beweeglijkheid op: Hetzjagd durch die Zeit, Wagnisse in aller Welt. Als ‘razende reporter’ speelde hij, niet zonder knipoog, in op het tijdsklimaat. ‘Razend’ was in de jaren twintig een modewoord: alles moest razend interessant, razend opwindend, razend snel zijn. En de reporter – een begrip van Amerikaanse makelij – deed het ook al uitstekend in die jaren dat populaire bladen hun marktaandeel fors uitbreidden.
Tot nu toe had Kisch gehunkerd naar erkenning als literator. De bevlogen feuilleton- en commentaarschrijvers die hem in zijn Praagse tijd vrijwel dagelijks hun mateloze minachting inpeperden, hadden zijn ijdelheid wreed gekwetst. Hij was slechts het journalistje: in tegenstelling tot de angelieke, zwevende dichters moest hij over de aardkorst kruipen om feiten bij elkaar te scharrelen; zonder die feiten kreeg hij immers geen woord op papier. Door middel van Der rasende Reporter verhief Kisch de reportage tot volwaardige kunstvorm. Door haar grondig te bewerken voor boekpublicatie, maakte hij de reportage los van wat hij noemde ‘de slavernij van het heden’.
Hij paste heel bewust technieken uit de filmmontage toe, bijvoorbeeld snelle wisseling van perspectief, onmiddellijke nevenschikking van beelden, waardoor een botsend effect ontstaat, close-ups afgewisseld met algemenere passages, enzovoort. Kisch was niet de enige die zo te werk ging. De Amerikaanse schrijver John Dos Passos, die lange jaren als journalist gewerkt had, deed iets soortgelijks in zijn grootstedelijke roman Manhattan Transfer. Bovendien is ook de volgorde waarin Kisch zijn reportages schikt belangrijk. Nooit zette hij berichten naast elkaar die thuishoorden op een en dezelfde plek, in een en dezelfde periode. Ook hier zorgde hij voor botsingen. Na het nachtasiel voor daklozen in het Londense Whitechapel komt een wandeling over de bodem van de Adriatische Zee, vervolgens een achtervolgingsverhaal uit Wenen, vervolgens een hilarisch verhaal over de eerste en enige zeereis van een Tsjecho-Slowaaks schip, vervolgens een anekdote die zich afspeelt in een Berlijnse tram, vervolgens zijn we in de Parijse voorstad Clignancourt, en zo gaat het maar door.
Formeel putte Kisch overigens, op een speelse manier, inspiratie uit een breed gamma van populaire bronnen – reisverhalen, interviews, balladen, het cabaret… In de strijd om de lezer, wist hij, behoeft de schrijver een gevarieerd palet.
Kisch bleef zijn reportages altijd herwerken, en in een razend tempo werden ze zeker niet geschreven. Getuigen die Kisch persoonlijk ontmoet hebben noemen hem nieuwsgierig, zorgvuldig, geestig of bedachtzaam of zelfs gewoon traag, en ze vonden hem ouderwets erudiet. Het is ook bekend dat Kisch zich dikwijls schaamde als hij een eerste, snel tot stand gekomen versie van een reportage na enige tijd herlas. Hij had een bijzonder bizarre manier van schrijven die onmiddellijk zichtbaar is op zijn autografen. De eigenlijke tekst is bijna onleesbaar door de talloze krankzinnige krullen die om de letters heen cirkelen. Dat waren Kisch’ heel bewust uitgevoerde vertragingsmanoeuvres. Terwijl hij zijn pen liet meanderen, dacht hij na over zijn woordgebruik.
Kisch kon zelfs helemaal niet machineschrijven, ondanks dat buitenissige portret van 1926. Zijn vaste medewerkster en minnares Gisela Lyner – hij kende haar al uit zijn Weense periode, maar trouwde pas met haar in 1938, op z’n drieënvijftigste – tikte met eindeloos geduld telkens weer zijn teksten uit. Ze zette puntjes bij passages of woorden die ze zwak vond – zijn vrienden noemden die puntjes Fliegenschisse, vliegenstrontjes.
Kisch zette zijn opvattingen over het werk van de journalist, zijn taak, zijn premissen, uiteen in een korte voorrede bij Der rasende Reporter. Het was trouwens niet de eerste keer dat hij het had over de theoretische problemen van berichtgeving. In 1918 had hij al neergeschreven wat volgens hem het ‘Wesen des Reporters’ was. Hij deed dat niet in een krant, zelfs niet in een boek, maar in een literair tijdschrift, alsof hij wilde beklemtonen dat het hier ging over een probleem van literaire theorievorming, dat de reportage een wezenlijk bestanddeel van de literatuur is.
Kisch zette zich beslist af tegen de pretenties van kunstrecensenten, schrijvers van hoofdartikelen, kortom tegen de lieden die zich inlieten met wat hij feuilletongebrabbel noemde en die hem in zijn Praagse tijd diep veracht hadden omdat hij zich maar bezighield met zoiets platvloers als feiten. Zij koesterden de illusie dat wie door de sferen van schone kunsten en dito letteren zweeft, niet bespat raakt met de modder der alledaagsheid. Kisch liet nooit af tegen dat soort zelfbedrog te waarschuwen.
‘Op zich is het werk van de reporter altijd het eerlijkste, het zakelijkste, het belangrijkste […]. Hij kan overdrijven, onbetrouwbaar nieuws leveren – zelfs dan is hij altijd afhankelijk van het feit, altijd van de zakelijkheid, altijd ligt een zoektocht, een weg, een gesprek of een telefoontje ten grondslag aan zelfs het geringste bericht.’
In dit artikel uit 1918 ontwikkelde Kisch al het begrip logische fantasie. Volgens hem is de logische fantasie onmisbaar om feiten met elkaar te verbinden tot een zinvol en begrijpelijk bericht: ‘De resultaten van het onderzoek komen uit de eerste hand, komen uit het leven zelf. Natuurlijk is een feit niet meer dan het kompas waarop hij vaart; hij heeft echter ook een verrekijker nodig: de “logische fantasie”. Want nooit verschijnt uit de autopsie van de plaats van een misdrijf of een gebeuren, uit wat betrokkenen en getuigen loslaten en uit de tegen hem geuite vermoedens een volledig beeld der gebeurtenissen. Hij moet zelf het verloop van de zaken, de overgangen tussen resultaten van het onderzoek construeren en daarbij moet hij er goed op letten dat de rechte van zijn uiteenzetting precies door de hem bekende feiten (de gegeven punten op het lijnstuk) loopt. Het ideaal is dan dat de waarschijnlijkheidskromme die de reporter trekt, samenvalt met de werkelijke verbindingslijn die alle fasen van het voorval met elkaar verbindt.’
Ook vestigde Kisch al de aandacht op het opwindende, het fantastische dat een waarheidsgetrouw bericht, een exacte beschrijving van wat iemand ziet en hoort, kan bieden.
Sensatie en stalinisme : het leven van Egon Erwin Kisch - Geert van Istendael en Mark Schaevers [fragment]
uit: De vliegende reporter - Egon Erwin Kisch (samengesteld en van een nawoord voorzien door Geert van Istendael en Mark Schaevers)


____