zondag 22 maart 2009

Overdag het ene, ’s nachts het andere

Het is me meermalen overkomen, als ik in het hartje van de nacht wakker werd (de nacht lijkt in dit geval niet bepaald een hart te hebben), dat ik in het donker, in de stilte, een vreemde verwondering voelde, een vreemde gêne, bij de herinnering aan iets dat ik gedurende de dag in het licht had gedaan zonder er aandacht aan te schenken; en ik vroeg me dan af of tot het bepalen van onze handelingen niet ook de kleuren, de aanblik van de omringende zaken en de verschillende geluiden van het leven meewerken. Maar natuurlijk, zonder twijfel; en wie weet hoeveel andere dingen! Leven wij niet, volgens signor Anselmo, in relatie met het heelal? Het is nu maar de vraag hoeveel dwaasheden dit verwenste heelal ons doet begaan, waarvoor wij dan ons ongelukkige geweten verantwoordelijk stellen dat wordt aangetrokken door krachten van buiten, verblind door een licht dat van elders komt. En anderzijds, hoeveel gedurende de nacht genomen beslissingen, gemaakte plannen en beraamde uitwegen blijken in het daglicht niet ijdel te zijn, ineen te storten en in rook op te gaan? Zoals de dag en de nacht twee verschillende dingen zijn, zo zijn wij misschien overdag het ene, ’s nachts het andere: een armzalig ding, dat wel, zowel ’s nachts als overdag.
Ik weet wel dat ik, toen ik na veertig dagen de ramen van mijn kamer opende, geen enkele vreugde voelde bij het weerzien van het licht. De herinnering aan wat ik gedurende die dagen in het donker had gedaan vertroebelde het op een verschrikkelijke manier voor me. Alle redenen en voorwendsels en argumenten die in dat donker hun gewicht en hun waarde hadden gehad, verloren die volkomen zodra ik de ramen had opengegooid, of ze kregen een andere, lijnrecht tegengestelde waarde. En vergeefs ging de arme ik die zo’n lange tijd met de ramen dicht had gezeten en van alles had gedaan om de obsederende verveling van de gevangenschap voor zichzelf te verlichten, nu schuw als een geslagen hond tot die andere ik die de ramen had geopend en met gefronst voorhoofd, ernstig en grimmig, voor het daglicht ontwaakte. Vergeefs trachtte hij hem van zijn sombere gedachten af te leiden, hem ertoe te bewegen zich liever voor de spiegel te verheugen over de goede afloop van de operatie en over zijn aangegroeide baard en ook over de bleekheid die zijn uiterlijk in zekere zin iets vriendelijkers gaf.

uit: Wijlen Mattia Pascal - Luigi Pirandello

____