vrijdag 13 maart 2009

Proeven en bewijzen

Als je met iemand uit de tijd van de Turkse belegering zou kunnen praten, zou je waarschijnlijk met je oren staan te klapperen. Je zou je verbazen over zijn manier van spreken, over de vele Franse en Latijnse woorden die hij zou gebruiken, over de omslachtige manier waarop hij zijn mededelingen zou doen, over de manier waarop hij deftige buiginkjes zou maken en over het feit dat hij bij iedere gelegenheid met een Latijns citaat zou komen aanzetten, waar jij en ik niet van zouden weten waar het vandaan komt. Bovendien zou je vermoeden dat onder die waardige pruik het hoofd van een man zit die graag denkt aan lekker eten en drinken, en dat de man in zijn met kant, borduurwerk en zijde versierde kleding ondanks het door hem gebruikte parfum waarschijnlijk stinkt, omdat hij zich zelden wast.
Maar je zou pas echt opkijken als hij zou vertellen hoe hij over bepaalde zaken dacht: dat kinderen geslagen moeten worden, dat jonge meisjes, die eigenlijk nog kind zijn, uitgehuwelijkt mogen worden aan mannen die ze helemaal niet kennen, dat de boer op de wereld is om te werken en verder zijn mond moet houden, dat bedelaars en landlopers in het openbaar afgeranseld moeten worden en vervolgens op het marktplein geketend en bespot moeten worden, dat dieven moeten worden opgehangen en dat moordenaars in het openbaar in stukken gehakt moeten worden, dat heksen en andere gevaarlijke tovenaars, die hun angstwekkende kunstjes zo vaak uithalen, verbrand moeten worden, dat ongelovigen vervolgd, verjaagd of in een duistere kelder gegooi moeten worden, dat de komeet die onlangs aan de hemel te zien was, de voorbode is van slechte tijden en dat het in verband met de volgend epidemie, die in Venetië al veel mensen het leven heeft gekost, verstandig is een rode armband te dragen, dat de heer die en die, een Engelse vriend, al sinds lange tijd goede zaken doet door negers vanuit Afrika als slaaf in Amerika te verkopen en dat dit een buitengewoon slim idee is van die eerwaarde heer, aangezien de gevangengenomen indianen slechte arbeiders zijn.
Dit soort inzichten zou je vermoedelijk niet alleen horen uit de mond van een of andere bruut, maar ook van welopgevoede, intelligente en vrome mensen, van alle standen en uit alle mogelijke landen. Pas na 1700 komt daar langzaam verandering in. De vreselijke ellende die de geloofsstrijd in Europa bracht, zette veel mensen aan het denken: is het nu werkelijk zo belangrijk welk artikel in de catechismus door iemand als juist wordt beschouwd? Is het niet belangrijker dat hij een goed, fatsoenlijk mens is? Zou het niet beter zijn als de mensen elkaar zouden verdragen; dus ook mensen met een andere mening en met een ander geloof? Wanneer ze elkaar zouden respecteren en de overtuigingen van een ander zouden dulden? Dat was de eerste en belangrijkste gedachte die werd uitgesproken: de inzichten over de verdraagzaamheid. Echte meningsverschillen heb je alleen in zaken die het geloof aangaan, meenden de mensen. Dat twee maal twee vier is, daarover zijn alle verstandige mensen het eens. En daarom is het verstand (het gezonde verstand, zoals men ook wel zei) dat wat de mensen met elkaar kan en moet verbinden. In het rijk van het verstand kan men strijden met argumenten en proberen de ander te overtuigen. Maar het geloof van een ander, dat buiten het verstand om gaat, dient men te respecteren en te dulden.
Het verstand was dus het tweede wat voor deze mensen belangrijk was. Het heldere, bewuste denken over de mensen en de natuur. Hierover troffen ze opnieuw veel inzichten aan in de werken van de oude Grieken en Romeinen, en in die van de Florentijnen uit de tijd van de Renaissance. Maar het meest vonden ze in de geschriften van de moedige mannen die op zoek waren gegaan naar de rekenformules van de natuur, zoals Galilei. Bij dit soort zaken bestond geen geloofsonderscheid. Er was uitsluitend sprake van proeven en bewijzen. Het verstand bepaalde hoe de natuur eruitzag en hoe het toeging in de wereld van de sterren. Het verstand, waarover alle mensen, dus arme en rijke, blanke, gele en rode, kunnen beschikken.
Aangezien het verstand alle mensen gegeven is, zijn alle mensen in principe evenveel waard, overwoog men. Je weet dat het christendom dit ook leerde: dat alle mensen voor God gelijk zijn. Maar de prediking van de verdraagzaamheid en het verstand ging nog verder. Die theorie leerde niet alleen dat de mensen in principe gelijk zijn, maar ook dat de mensen gelijk behandeld moeten worden. Dat elk mens als een door God geschapen, verstandig wezen rechten heeft die niemand hem mag of kan afnemen. Dat iedereen het recht heeft zijn beroep zelf te kiezen en zijn leven zelf in te delen; dat iedereen vrij moet zijn te doen en te laten wat zijn verstand en zijn geweten hem influisteren. Dat men kinderen niet met de stok moet opvoeden, maar met verstand, zodat ze zelf kunnen inzien waarom het ene goed is en het andere niet. Dat ook misdadigers mensen zijn, die misschien hebben gefaald, maar die hun leven kunnen beteren. Dat het afschuwelijk is dat een mens, die één keer iets verkeerds heeft gedaan, met een gloeiend stuk ijzer een brandmerk krijgt op zijn voorhoofd of zijn wang zodat voor altijd is te zien: dit is een misdadiger. Dat er zoiets als menselijke waardigheid bestaat, die het bijvoorbeeld verbiedt dat een mens in het openbaar bespot wordt.
Al deze inzichten, die na 1700 vooral in Engeland en Frankrijk werden verbreid, noemt men de Verlichting, omdat men met de helderheid van het verstand de strijd wilde aangaan met de duisternis van het bijgeloof.

33, De werkelijk nieuwe tijd [fragment]
uit: Een kleine geschiedenis van de wereld - E.H. Gombrich

____