Tegelijkertijd wil hij het liefst in zijn schulp kruipen.
Niets komt hem zo verleidelijk voor als actieloosheid, het lauwe niets-doen.
Er is het gevecht tussen onzekerheid en gevoel voor eigenwaarde.
Niemand twijfelt zo aan zichzelf als de depressieve man, niemand weet met zo’n koud zelfbewustzijn wat hij waard is.
Er is de schermutseling tussen principe en hoerigheid.
Hij weet dat hem overtuigingen en een zeker karakter niet kunnen worden ontzegd, maar hij weet ook dat overtuigingen een kwestie van tijd, plaats en klimaat zijn, een invulling door omstandigheden, en dat alles uiteindelijk neerkomt op karakterloosheid.
Hij herkent zijn principes als tactieken, en maakt van zijn hoerigheid een deugd.
Hij leeft tussen de illusie dat hij bewust handelt en de realiteit dat hij zich in veel opzichten onbewust laat sturen.
Hij koestert met schrijnend welbehagen geheimen die men aan niemand overbrieft, en hij zou ze met wellustige pijn van de daken willen schreeuwen.
Hij is nu eens een vooraf-denker, dan weer een achteraf-denker: nu eens een schaker, die de ongetelde zetten van zijn toekomstig leven heeft uitgestippeld, dan weer een improviseertalent bij plotseling uitbrekende paniek.
Zo woedt het in het hoofd van de depressieve man. Er is geen synthese, behalve de synthese van de woede.
Hij is verlamd, maar niet omdat de tegenstellingen elkaar, met hun gelijke sterkte, zouden opheffen of machteloos maken. Er blijft onverminderd een bombardement gaande in zijn hoofd, langs elkaar en door elkaar, maar met duidelijke flitsen, sterke lijnen.
Er is geen chaos, behalve de chaos van de stilstand.
Stilstand door te grote beweging.
In de put [fragment]
____
