zaterdag 7 maart 2009

Zegen nu jij mijn grijze haren

Eens zal de man, die dan mijn zoon zal zijn,
met open handen voor mijn stilte staan.
Zijn oogen zullen wondre vragen zijn.
Zijn voeten hunker nieuwen weg te gaan.

Zijn stem zal klinken als een blij’ bazuin:
‘Jij gaaft me waarheid die me leugen bleek.
Ik wil in verre streek
mijn nieuw geloof: een zonbelichte lentetuin,
gaan zoeken.
Hef nu de wonderklamme doeken
van uwe liefde weg. Bezie den man die voor u staat
en wil niet dat hij zonder uwen zegen door het leven gaat.’

Hij zal m’n angstig oog aanschouwen,
of ik mijn hand tot beê ging vouwen,
m’n grijze haren boog.
En, zal hij zelf zijn handen vouwen,
geknielde knie zijn eerlijk woord berouwen,
dan zal ik slaan om deze laffe pijn
zijn blij gebruind aanschijn,
maar voor hem knielen,
op m’n zachtste toon hem vragen:
‘Zegen nu jij mijn grijze haren, o jij, mijn beter hart,
mijn Zoon.’

Conflict
uit: Het huis : verzen, waarin opgenomen Kronijk, Het Huis, Het Blije Gebed, Loflitanie van Sint Franciscus van Assisi, Vier Gedichten van Joachim [en] The house by the leaning tree : een suite van archaïsche gedichten - Marnix Gijsen

____