woensdag 29 april 2009

De explosie van de mobiliteit

Het verdwijnen van de afstanden geldt om te beginnen op nationaal vlak. Nog nooit is het zo gemakkelijk geweest om van het ene uiteinde van het land naar het andere te sporen. We kunnen ons nog moeilijk voorstellen dat de Noord-Zuidverbinding in Brussel pas in oktober 1952 geopend werd.
Maar de explosie van de mobiliteit is in de eerste plaats te danken aan de auto, natuurlijk. Het aantal personenwagens is sinds de tweede wereldoorlog vervijftigvoudigd: van zo’n 86.000 in 1946, tot 4,1 miljoen nu. Dat betekent dat we gemiddeld één auto per 2,5 inwoners hebben, en dat is een van de hoogste cijfers ter wereld. Het betekent ook dat in veel gezinnen meer dan één auto aanwezig is.
Het totale autoverkeer is nog veel sterker gestegen dan de cijfers over het autobezit laten vermoeden. Terwijl het gemiddeld aantal kilometers per auto per jaar in de jaren vijftig niet meer dan 5.000 bedroeg, ligt dat nu boven de 15.000. Het totale aantal gereden autokilometers in ons land ligt nu dus 150 keer hoger dan kort na de oorlog.
Er werden steeds meer wegen aangelegd om al die auto’s te herbergen, men schat dat zo’n 5,6 percent van de oppervlakte in Vlaanderen wordt ingenomen door wegen en andere autovoorzieningen. Het aantal autosnelwegen is fenomenaal gestegen. In 1950 waren er in ons land welgeteld 28 kilometer autosnelweg. In 1969 is dat al 420 kilometer, en vanaf dan begint een steile klim, en in sommige jaren wordt er meer dan 200 kilometer autosnelweg geopend. Het resultaat is dat we in 1980 met 1192 kilometer snelweg zitten. Sindsdien is de betonwoede wat afgenomen, maar het totale aantal ligt nu toch rond de 1600 kilometer, wat gigantisch veel is voor een klein land als het onze.
Als je een Michelin-kaart uit 1955 bekijkt, herken je het land bijna niet meer. Er was toen welgeteld één autosnelweg: die van Brussel naar de kust. Het gedeelte tussen Koekelberg en Aalst wordt zelfs aangeduid met stippellijntjes: nog in aanleg. Voor de rest moest het verkeer zich behelpen met de vertrouwde, 18de-eeuwse steenwegen. Die steenwegen liepen rechtdoor: van kerktoren naar kerktoren. Van ringwegen was nog geen sprake. Dat betekende dat al het verkeer, ook het vrachtvervoer, dwars door Brussel, Gent of Antwerpen moest. Veel Brusselse lanen waren nog rustige tweebaanswegen, omzoomd door paardekastanjes. Tot men, ter gelegenheid van de Expo in 1958, op het lumineuze idee kwam om op de plaats van de bomen nog eens twee rijstroken aan te leggen.
België was in de jaren vijftig nog een overzichtelijk land, met veel open ruimte. Van een Zeebrugse haven was geen sprake, en ook de Gentse en Antwerpse havengebieden waren veel beperkter. Het was nog leuk om in Zelzate, Zandvliet, Doornzele of Doel te wonen. In het algemeen was het verschijnsel van de industriezones trouwens onbekend: dat zou pas in de jaren zestig opduiken.
De steden waren nog niet geëxplodeerd: de Brusselse agglomeratie hield op ter hoogte van de gemeentegrenzen van Schaarbeek. In Sint-Amandsberg, Marke, Diegem en Wilrijk was nog niet alles volgebouwd. Die overzichtelijkheid is voorgoed om zeep geholpen, en de belangrijkste verantwoordelijke hiervoor is de auto.

Er zijn geen afstanden meer [fragment]
uit: Het wordt nooit meer als vroeger : België een halve eeuw modern 1945-1995 - Marc Hooghe

____