Santschin ijlt. Hij geeft een gratis voorstelling. Hij roept August, zijn ezel. Met tedere gebaren roept hij zijn ezel. Hij steekt zijn hand uit alsof hij het dier een klontje suiker aanbiedt, zoals hij voor elke voorstelling doet. Schreeuwend springt hij overeind. Hij klapt in zijn handen, als in het variété, om applaus uit te lokken. Hij steekt zijn hoofd naar voren, klappert met zijn oren, spitst ze als een hond en luistert naar het applaus.
‘U moet klappen,’ zegt Stasia en we klappen. Santschin maakt een buiging.
’s Ochtends baadde Santschin in het koude zweet. De grote druppels groeiden als glazen bulten uit zijn voorhoofd. Hij rook naar azijn, urine, bedorven lucht.
Mevrouw Santschin kermde zachtjes. Ze drukte haar hoofd tegen de deurpost. We lieten haar huilen.
Toen ik met Stasia de kamer verliet, wenste Ignatz ons goedemorgen. Hij stond op de gang, zo vanzelfsprekend alsof hier zijn vaste standplaats was en nergens anders op aarde.
‘Santschin gaat zeker dood?’ vraag Ignatz.
Op dat moment heb ik het gevoel alsof de dood de gedaante van de oude liftboy heeft aangenomen en hier nu op een ziel staat te wachten.
____
