donderdag 2 april 2009

Elk afscheid is een nieuwe afspraak

Thuis heeft Eva opnieuw de gelukkigste ogenblikken uit haar leven geïnventariseerd. Telkens als ze die optelt, blijken er enkele te zijn verloren gegaan.
Ze heeft opnieuw gevoeld hoe haar oog tegen de grashalmen aanligt, hoe haar wang de koude zuring voelt.
Vrijen in het koren. Angstig, onrustig naar een plek zoeken waar onder de broeierige middagzon niemand komt. De boeren zullen nu wel slapen. 1 seconde maar: ’s nachts in het licht van de koplampen vernietigt de pikdors de nesten, maait de vluchtende ratten kapot, rijt een verblinde fret uiteen. Hoort de dorser niet eens meer het geschreeuw? De fietsen op slot, verborgen in de slootkant, binnen gehoorsafstand, een dwaalspoor maken voor een schuilplaats. ’s Avonds in haar kleren: de geur van rijp koren.
Vergetelheid onder het ademloze vrijen. Tot de zon lager gaat staan, de insekten stijgen in het vierkante stukje lucht dat maar zo groot is als een zakdoek.
Voor de terugtocht, het stro uit zijn kleren plukken. Lachen om elkaars verhit gezicht. Ze neemt zijn kop vast: belooft hij dat hij haar altijd graag zal zien?
Terugrijden over het jaagpad, door de wazige koelte langs de vaart. De dijk onder het fietsen doen wegschuiven, de paarse dovenetels, het onkruid in de kanten, de afgeknotte wilgen, de meersen waaruit nevel opstijgt.
Eindeloos elkaar omhelzen. Elk afscheid is een nieuwe afspraak. Blijven wuiven tot het laatst.
De boomgaard naast het erf. Het oude huis. De karnemelk staat op de dorpel. In de slaapkamer ruikt het naar gedroogde bloemen. De nacht is veel te zwaar om in te slapen. Aan haar lichaam hangt de zoete geur van stro. Haar handen volgende lijn van elke streling opnieuw en blijven liggen om het eigen gladde, warme lijf.
Als de werkvrouwen om half vier ’s namiddags naar huis gaan, zeggen ze slaapwel tegen elkaar. Naar huis gaan, boodschappen doen, eten klaarmaken, afwassen, de kinderen in bed steken, nog wat naar de t.v. kijken, uw boterhammen voor ’s morgens klaardoen, de wekker zetten, gaan slapen, om half zes opstaan, maken dat ge om kwart over zes op uw werk zijt en weer kamers kuisen tot half vier, tot ze weer naar huis mogen. Ze doen het soms meer dan twintig dienstjaren lang. Maar ge peinst daar niet op. Als ge twee weken kamers kuist, weet ge dat niet meer. Ge telt de kamers die ge die dag al gedaan hebt en ge doet voort. Dat is voor iedereen zo die hier kamers kuist. ’s Middags hebt ge een uur om te eten.

uit: Vrouwelijk enkelvoud : herinneringen aan mijn grootmoeder - Pol Hoste

____