maandag 20 april 2009

Esthetiek in het wild

Maar wat is een autonoom beeld? Wat is een goede straatfoto? Wanneer werkt die?
De belangrijkste val, zo blijkt al snel, is de anekdote. Een beeld is geen anekdote. Dat lijkt een open deur, maar voor de man of vrouw met een camera blijkt er weinig verleidelijker te zijn dan het vastleggen van een ‘gekke gebeurtenis’ – men werpe een blik in het eigen vakantiealbum. De drie bijna-identieke mannen op het Franse bankje. De fiets zonder achterwiel, eenzaam aan de gracht. Het levende standbeeld. Zulke foto’s worden niet gemaakt om het beeld, maar om het verhaal erachter – de foto als illustratie. Hoe simpel dat besef ook lijkt, zelfs ‘kanonnen’ als Epstein, Wessel en Meyerowitz zwichtten voor het fenomeen. Zo maakte Joel Meyerowitz een bekende foto van een koppel in bijna-identieke beige regenjassen dat bijna wordt weggeblazen door een enorme rookwolk uit een put (lachen!). Mitch Epstein toont een straatscène waarop een dikke politieman zich te buiten gaat in een enorme gaap (gieren!). En een foto van vier meisjes die een reusachtige slang betasten (brullen!). Hierop zijn vele variaties te vinden, zoals de foto van de man die omvalt bij de halte van een metrostation. (Dat is de Lucky Luke-variant: ‘Ik trok mijn camera en had ‘m voor-ie de grond raakte!’) Maar dat zijn vrijwel altijd flauwe foto’s die het vooral moeten hebben van het verhaaltje dat je als toeschouwer zelf kunt verzinnen. Van het gevoel dat de fotograaf ‘erbij was’. Typisch een kwaal van een fotograaf die te lang over straat heeft gezworven en blij is dat hij wat meemaakt.
Een andere valkuil is de ‘mooie’ foto. Die is tegenwoordig meestal het domein van tweedejaars kunstgeschiedenis en/of kunstacademie, maar ook bij de straatfotografen is hij niet afwezig. De ‘mooie’ foto toont de trots van de fotograaf dat hij esthetiek in het wild heeft herkend – de zware schaduwpartij die over een straat valt, een rijtje mensen die zonder het te weten op identieke afstand van elkaar staan. Het is de esthetische variant op de ‘gekke gebeurtenis’: mooi, maar betekenisloos. En in die zin net zo makkelijk als een door het toeval (of een olifant) gecomponeerd abstract schilderij.
Wie beseft dat zulke valkuilen door de werkelijk goede fotograaf zo veel mogelijk worden vermeden, beseft dat Lee Friedlander en Garry Winogrand verreweg de beste fotografen van deze generatie waren. Friedlander is eigenlijk het buitenbeentje, de intellectueel van het vijftal. Zijn werk gaat vooral over de rol van de fotograaf als manipulator – op veel van zijn foto’s duikt hij zelf op, bijvoorbeeld op de beroemde foto van een vrouw met bontkraag, op de rug gezien, die wordt overschaduwd door het silhouet van de fotograaf.
Maar de beste van het stel is Winogrand. Zijn werk is zo bijzonder omdat hij iets lijkt te beheersen wat niet te beheersen valt: het toeval. Om daar iets over te kunnen zeggen is het goed te beseffen hoezeer Winogrands foto’s, net als die van zijn collega’s trouwens, altijd het resultaat waren van twee keuzes. De eerste keuze was het moment van fotograferen, het zoeken naar het decisive moment, waar jagende fotografen uren over kunnen bomen. Maar om dat de beslissende keuze te noemen, doet inbreuk aan het belang van de tweede: het achteraf door de fotograaf selecteren van de juiste afdrukken. Over Winogrand gaat de mare dat er bij zijn dood in zijn studio zeker 2500 niet-ontwikkelde rolletjes werden gevonden. Winogrand moet in zijn leven vele honderdduizenden foto’s hebben gemaakt, maar uiteindelijk bleven er slechts enkele honderden over die hij goed genoeg vond. Dat is louter een kwestie van selectie achteraf, van nog eens kijken. Nu niet meer naar de werkelijkheid, maar naar de afgeleide daarvan: de foto.

Engelen van het trottoir : de straatfoto's van Garry Winogrand [fragment]
uit: Haai op sterk water - Hans den Hartog Jager

____