Ik las de Phaedo met mijn vijfde klas
en in de tekst kwam het woord ψυχή voor:
ik legde, aan 't nog kinderlijk gehoor,
uit waarom ψυχή 'ziel' én 'vlinder' was.
Terwijl ik nóg eens de passage las
was er ineens een ritseling, en een spoor
van glanzen kwam, van 't raam, de ruimte door.
Er zat een grote vlinder voor 't glas.
Het was een dagpauwoog. En ieder zag
de purperen gloed, die op zijn vleugels lag;
de ogen, waar het aetherblauw in brandt.
Ten laatste - hij zat rustig op de hand -
bracht hem een jongen weg. Onaangerand,
zei hij, was hij ontweken naar het blauw.
Hoe wonderlijk het toeval de mens soms een handje toe kan steken!
De dichteres Ida Gerhardt, die ook lerares klassieke talen is, leest met haar leerlingen de Phaedo van de Griekse filosoof Plato (427-347 v. Chr.). Deze dialoog, die handelt over de onsterfelijkheid van de ziel en de betekenis van de dood, is voorzeker geen gemakkelijke materie voor een nog jong publiek, voor een nog haast ‘kinderlijk gehoor’. In het platonische denken kan de ziel zich pas ten volle ontplooien, als ze zich weet te bevrijden uit het lichaam, dat als een kerker wordt ervaren. Dit dualisme ziel/lichaam wordt als vanzelf weerspiegeld door het beeld van de vlinder, die pas ècht ‘vlinder’ is, als hij zich uit het omhulsel, uit de cocon, heeft losgemaakt, nadat hij eerst made is geweest. Deze opvatting heeft ook inspirerend gewerkt op het christelijk denken, waar in de iconografie het beeld van de ‘hemelse vlinder’ eveneens naar de ziel verwijst.
Voor de lerares komt het er echter op aan deze diepzinnige beschouwingen op een bevattelijke manier te verduidelijken. En zie, plots verschijnt er een pracht van een vlinder in het openstaande zomerraam: een dagpauwoog, met fraai gekleurde, oogvormige tekeningen op de vleugeleinden. Maar belangrijker nog is de gloed van de kleuren die hij uitstraalt in purper en blauw. Purper is de kleur van het spirituele en blauw roept de rust en de harmonie van het eeuwige op.
Na dit kortstondige oponthoud – de klas moet zich immers weer op de Phaedo concentreren! – brengt een jongen de vlinder weg en schenkt hem de vrijheid. Hij is ongeschonden gebleven en kiest de oneindige ruimten van de blauwe hemel.
Precies het woord ‘blauw’ komt op het einde van dit klassiek gebouwde, rustig voortschrijdende sonnet als een verrassing, omdat het van het tot dan toe volgehouden rijmschema (2 x abba, ccddd) afwijkt. Het ‘blauw’ staat daardoor wat geïsoleerd, maar het is juist over die abstracte, geestelijke materie, over onsterfelijkheid dat de tekst van Plato gaat en waarvan er zich een concreet teken heeft ‘geopenbaard’. Eén ogenblik is de eeuwigheid immers zichtbaar aanwezig geweest in de tijd. Voldoende om van de lerares weer even de dichteres te maken.
Psyche
uit: Die lezen mogen eenzaam wezen : vijftig gedichten kort belicht - Rudolf van de Perre

____