Toen ik van boodschappen doen terugkwam, zag ik dat ze me met opgetogen gezichten stonden op te wachten. Wat is er aan de hand? Mogen jullie met een miljardair mee op zijn jacht? Nee iets veel leukers, meid, iets veel leukers. Maud zwaaide een envelop vol stempels en zegels onder mijn neus. Ik maakte hem open en haalde er een doorzichtig geel velletje uit dat leek op kerstcadeaupapier. Onder aan de bladzijde stonden drie handtekeningen met streepjesletters.
De Noren hadden antwoord gestuurd.
Natuurlijk konden ze zich ons herinneren, wonderful girls, stond er in de brief. Fantastisch, preciseerde Josyane, hoor je dat, we zijn fantastsich. Niet helemaal, corrigeerde Maud, nou ja het betekent dat ze ons wel zien zitten. Vooruit, lees verder.
Een voor een ontcijferde ik de woorden. Zonder hulp van een woordenboek begreep ik dat ze het in de trein en zelfs ook later uitgebreid over ons gehad hadden. Ze hadden het erg jammer gevonden dat ze te vroeg weg waren gegaan en ze hadden graag nog een paar dagen aan hun reis vastgeplakt om ons beter te leren kennen. Volgend jaar misschien. Intussen waren we uitgenodigd, welcome, wanneer we maar wilden. Ze hadden een foto van ziczhelf bijgesloten waarop ze voor een huis stonden dat leek op de huizen die we hadden bewonderd in het fotoboek uit de bibliotheek.
In de envelop zaten drie gedroogde bloemen, speciaal voor ons geplukt.
Dat argument maakte me sprakeloos.
Ik draaide de brief om en om, verbijsterd door het wonder. Eens te meer ging het leven mij boven de pet door een onbegrijpelijke wending. Het bleek wat genuanceerder dan mijn strakke zwart-witdenken. Regel één: je wist nooit hoe de mensen waren. Het bewijs: de Denen dronken bier en de Noren stuurden bloemen. Je kon er geen peil op trekken. Het toeval was heel wat sterker dan mijn theorieën, sterker dan het wantrouwen dat me ertoe bracht het geluk in een hoek te trappen, zoals een vrachtwagen een lastige hond overrijdt. Hier had ik het onweerlegbare bewijs onder ogen dat het niet zo is dat het balletje altijd net anders rolt dan je graag zou willen. Er waren uitzonderingen. Voor ons, voor de hele wereld. Je had niet het recht in je kamertje te gaan zitten wachten op het verstrijken van de dagen. Ik knelde de bloem die voor mij bestemd was in mijn hand en met het stuifmeel dat er af kwam schreef ik in gele letters mijn voornaam op mijn arm.
Mijn vreugde was zuiver. Mijn dromen boven iedere verdenking verheven. Ik genoot van de hitte van begin julie en van het gesmolten asfalt van de trottoirs dat aan mijn touwschoenen plakte. Wegwerkers van de gemeente probeerden de teerlaag te verstevigen maar gaven het zwetend op voor ze de klus geklaard hadden.
De hittegolf leek op het einde van de wereld. Een wereld met overal barsten, een aardkorst die openscheurde en zicht bood op het woestijnachtige hart van de zomer, waaruit ’s winters onderschatte soorten te voorschijn kwamen: jonge meisjes met blote benen, melancholieke types die er plotseling plezier in hadden door de straten te wandelen, kleurlingen in hun wijde katoenen gewaden en eenzelvige figuren onder de bomen. De doeners en de krachtfiguren waren buiten dienst tot het weer koeler zou worden en zij de touwtjes weer in handen zouden nemen.
Het leven was prachtig in die bloedhitte sinds Maud onder in haar sieradenkistje het gele papier had liggen waarop de Noren zeiden dat wij meisjes waren aan wie je nog eens terugdacht. Bij het minste geringste haalden we hun foto te voorschijn en we dronken koffie en limonade, rookten pakjes sigaretten leeg om onze opwinding te camoufleren. We hadden niets meer te zeggen, maar we praaten maar door. We verzonnen scènes, situaties, woorden die we zouden hebben kunnen wisselen met de jongens op de foto, die zo ontzettend afwezig waren. We waren vol van die foto en tegelijk gaf die ons een leeg gevoel. We leerden wat verlangen was, tot schrijnens toe, we lagen ’s avonds te hoesten in bed en we hadden gele vingers, maar ’s ochtends, in de asbak, herrees de herinnering aan de jongens van het station en hun afwezigheid des te sterker.
____
