donderdag 16 april 2009

Hij was volkomen op zichzelf, los van mij

‘Ik ben zwanger,’ zei ik gewoon, zo terloops mogelijk. Ik hield mijn hart en adem in (de emotionele reacties voorgeschreven door de dames- en stationslectuur kon ik minder gemakkelijk vermijden) of híj het rituele antwoord zou geven: ‘Weet je het zéker?’, maar hij zei niets, had me misschien niet eens verstaan. Dus herhaalde ik nog een keer de drie woorden die zo’n paniek bij mij thuis hadden veroorzaakt.
‘Ik heb je wel gehoord,’ zei hij heel rustig en vouwde zijn handen onder zijn hoofd. Ik was er niet helemaal zeker van of er niet iets spottends lag in zijn blik. Hij wachtte af. Verdere woorden leken mij te zwaar voor de vroege ochtend, te groot voor mijn mond. Ik ging naast hem liggen op mijn rug, en samen keken we naar de spanten van het dak. Hij zou kunnen vragen van wie het was, bedacht ik, als hij rottig wilde zijn, of hij zou kunnen vragen wat ik van plan was, als hij niet wilde zeggen: wat moeten we nu doen; hij zou kunnen zeggen, hoe ver is het al, of, wat wil je er zelf mee beginnen. Of hij zou kunnen vloeken en mij verwensen dat ik zo stom en zo onvoorzichtig was geweest. Of hij zou kunnen opspringen om neer te knielen en mijn hand te vragen. Hij zou kunnen zeggen: ik houd van je, Maria (had hij dat ooit gezegd?) of hij zou alleen Maria kunnen zeggen. Of zonder woorden. Kussen, of één liefkozing, één gebaar. Maar Raoul lag met zijn handen onder zijn hoofd gevouwen en zijn eigen onnaspeurbare gedachten heel tevreden wakker te worden. Hij was niet geschrokken of verheugd. Er was eigenlijk niets aan hem te zien. Hij was volkomen op zichzelf, los van mij, een onverstoorbaar ander iemand. Ik dacht aan de golven van angst en paniek die ik had moeten onderdrukken toen ik de eerste maand niet ongesteld was geworden en mijn vermoeden bevestigd zag. Maar zoiets kon zo vaak gebeuren, dat was nog lang niet zeker. Daar had ik de volgende maand op geleefd: dat het nog lang niet zeker was. Hoopvol om te gaan bloeden, fietsend en springend als een gek, in bijna kokend badwater zittend tot ik mezelf een gekookte idiote kreeft voelde. (Ik ben een Kreeft, en trots daarop.) Buikpijn van angst had ik gehad, die ik soms, tegen beter weten in, hield voor de buikpijn die aan de periode voorafgaat. Maar Raoul, die ik naar ik dacht al die maanden van onzekerheid had bespaard, was net zo kalm als altijd. Hij zou even onverschillig gereageerd hebben als ik hem verteld had dat ik een onvoldoende voor een proefwerk had gehaald. Hij zei nooit de verkeerde dingen die je uit de mond van iedereen kon horen; hij zou er zich wel voor hoeden om in clichés te praten. Dan zei hij liever niets. Het was niet precies dat hij de verantwoordelijkheid op mij afwentelde, maar ik voelde wel steeds zwaarder de verantwoordelijkheid op mij drukken, omdat ik zelf de initiatieven nemen moest.
‘We kunnen hier niet blijven wonen.’
‘Ik woon hier prima, al jaren.’
‘Doe niet zo vervelend: er is geen water en geen licht en…’
Voor ik mezelf uitsprak, slikte ik de woorden weer in. Wat moest ik eigenlijk van hem verwachten, en wat wilde ik zelf? Ik wist het niet, ik wist het niet. ‘Ze willen het weghalen, als het nog niet te laat is.’
Hij werkte zijn arm onder mijn schouder door en hield mij rustig vast. Dat was een antwoord in de goeie richting. Behoedzaam ging ik verder. ‘Ik weet het nog niet.’
‘Wat weet je nog niet?’
‘Nou, abortus enzo.’ Stilte. Geen reactie.

uit: Een meisjesleven - Geerten Meijsing


____