Theresia Vermeire heeft de boerenstiel ingrijpend zien veranderen met verstrekkende gevolgen voor jonge boeren: ‘Het boerenbedrijf is nu vooral een geldkwestie, nu moet je zorgen dat je de juiste investeringen doet in tractoren, melkmachines en andere dure dingen. Wij hebben dat pas laat kunnen doen omdat we de boerderij pas laat gekocht hebben. En heel veel hebben we niet meer geïnvesteerd, want mijn vijf zonen en mijn dochter leerden goed en ze hadden geen zin om boer te worden. Het was dus toch voor niemand geweest. Voor jonge mensen is het trouwen ontzaglijk moeilijk om te beginnen boeren met die melkquota. Als je boer wil worden moet je een melkquotum kopen bovenop de boerderij en dan zit je makkelijk in de miljoenen. Wie kan dat nog opbrengen? Dan kan je beter gewoon gaan werken, dan verdien je je kost ook. Zoals onze kinderen die allemaal een vak geleerd hebben: hun inkomen is verzekerd en ze moeten geen risico’s nemen. En gelijk hebben ze.
Ze hebben veel veranderingen mee naar huis gebracht. De oudste is nog van vóór het Concilie, die heeft nog alle dagen de catechismus moeten leren en die kreeg nog oude wiskunde op school, met de jongsten was het anders. Die zijn wel eens met lang haar thuisgekomen en daar waren wij het helemaal niet mee eens. Maar wat kan je daar tegen inbrengen?’
Bij Mariette van Geel stelt de opvolgingskwestie in de kapperszaak zich heel acuut en dat brengt de nodige spanningen tusen de twee generaties mee: ‘Sommige klanten vinden dat we gelukkig moeten zijn dat onze zoon de zaak zal voortzetten, maar ik ben het daar niet mee eens. Als je alles kan verkopen als je met pensioen gaat, ben je van alle zorgen verlost en wacht je een rustige oude dag. Maar wat zal er nu gebeuren? In gedachten zullen wij nooit met pensioen zijn. En ook de overgang is moeilijk: wanneer moeten we eruit, wanneer moet hij op zijn eigen benen kunnen staan? Dat is een delicate vraag. Bovendien vind ik dat jongeren vandaag eigenlijk nergens voor hebben moeten vechten en daardoor hebben ze het zeker niet makkelijker dan wij. Mijn zoon heeft alles gekregen wat hij wilde, hij is verwend geweest door mij, mijn man en mijn schoonmoeder en dat zorgt nu wel eens voor conflicten. We zijn de zaak aan het uitbreiden en uiteraard beslist hij mee over de nieuwste inrichting. Maar dat wringt, want wij hebben de indruk dat hij eigenlijk niet weet wat de dingen kosten, het is hem allemaal in de schoot geworpen. Ik denk dat dat een fout is die veel zelfstandigen maken, omdat ze nooit tijd hebben voor hun kinderen. Je verdient meer, dat is waar, maar je gezinsleven lijdt er serieus onder.’
uit: Lotgenotes - Annemie van Winckel
____