Zij stond boven Liljeholmen en wierp hele stralenbundels naar het oosten; ze gingen door de rook die opsteeg boven de fabriek van Bergsund, ze ijlden voort over Riddarfjärden, klommen omhoog naar het kruis van de Riddarholmskerk, sloegen over op het steile dak van de Duitse kerk, speelden met de wimpels van de boten bij Skepssbron, illumineerden de ramen van het grote zeetolhuis, deden de bossen van Lidingö helder oplichten en verloren zich in een rooskleurige wolk, ver, ver weg, daarginds waar de zee ligt. En daar vandaan kwam de wind, en deze maakte dezelfde tocht terug.Dan bespeelt Strindberg, na het lezersoog, ogen en neus van zijn publiek. Briljant.
Mijn vrouw zette me af en zei: ‘Ik ga winkels kijken, laat jij die Strindberg van je maar op je inwerken.’ We spraken een plek af waar we elkaar weer zouden treffen. Zij verdween met de auto, ik nam plaats op een bankje bij de Opera en gaf me over aan de zon van Stockholm. Wind aanwezig, mijn zintuigen werden bediend en ik raakte geheel vervuld van Rode kamer-gevoel; blij even van mijn vrouw verlost te zijn, want ik was het die de koplampen had laten branden. Ze had het er onderweg flink bij me ingewreven.
Alles viel van me af. Heerlijk. Lood in de benen, te heet om te bewegen. Ik bleef zitten waar ik zat. Alles om me heen vergeten. Uiteindelijk keek ik op mijn horloge. Mijn vrouw had er al moeten zijn. Ik wachtte nog twee uren. Geen vrouw te zien. Plotseling besefte ik dat we misschien niet bij mijn zitplaats hadden afgesproken. Maar waar dan? Zij had de auto, met de kleren en mijn handtas met papieren. Ik verlangde ineens naar haar, op een heel praktische manier, en raakte in paniek.
Opgesprongen. Beschenen door hele stralenbundels richting Riddarholmen gerend, in een flits het fel belichte kruis van de Riddarholmskerk waargenomen, de steile Duitse kerk gerond, terug naar de Opera, nu de wandelbrug over naar Skeppsholmen, waar me de geïllumineerde ramen van het Moderna Museet in het oog vielen en godzijdank onze auto. Die met brandende koplampen op de verlaten parkeerplaats stond.
Ik vond haar in het museumrestaurant, waar ze tot op het bot geërgerd zat toe te kijken hoe het personeel de tafels schoonmaakte.
‘Waar bleef je nou?’
Als een kreeft van de zon, doorweekt van het zweet, compleet achter de adem, maar ik wist het uit te brengen: ‘Je hebt de autolampen laten branden!’
Er was een wolk te zien in het westen toen we per auto (de accu had nog leven vertoond) de Centrumburg overstaken. Ik kon er weinig rooskleurigs in ontdekken.
Ik keek naar haar gezicht, zag oversneden vijandschap, en wenste me ver, ver weg, voorbij de bossen van Lidingö, daarginds. Waar de zee ligt.
____
