Geerten,
Weinig dank voor je onhoffelijke, beschamende en beledigende briefje, vervuld van zelfbeklag, dat je schreef en verstuurde daags voor je vertrek over de grenzen.
Waarom ga je niet in het Italiaans schrijven en publiceren, vroeg ik mij af, als de kranten aldaar vrij zijn van de kongsies waardoor jij je hier tot belachelijke argwaan laat opzwepen en mij zelfs beticht van onloyaal gedrag en wat dies meer zij.
Zo denk je dus over mij, en ik moet zeggen dat ik jouw manier van reageren zo belachelijk Hollands vind, de benepenheid en jaloezie waarmee, sinds je zo’n beetje binnen de landsgrenzen bent, zeurt over hoe sommige schrijvers het Fonds oplichten, en hoe Hermine de Gr. (jezus, altíjd die Hermine de Gr. – wat heb je nu met die dame te schaften, jongen?) haar onzinnige zegje mag doen, en over Joost Zwagerman en zijn vriendinnetje – wat kan het mij allemaal schelen?
In het BIM-huis hadden we daar al meningsverschil over, maar in je laatste brief projecteer je al die woede ook nog eens op mij, alsof trouwens niemand bij de Krant heeft geprotesteerd – hetgeen niet waar is. En waarom was ik niet op die vergadering (waarom zou ik daar aldoor moeten zijn?), niet, zoals jij slim verdacht makend veronderstelt, omdat ik er ‘liever niet was’, nee, omdat ik M. naar de gynaecoloog vergezelde op een afspraak die een maand eerder was gemaakt.
Trouwens, waarom maak je je eigenlijk zo druk?: wanneer Poll nou de enige is die zich tegen je keert en alle andere critici gunnen jou de prijs, dan ga je toch schouderophalend voorbij aan een dergelijke kritiek. De eindredactie moet zo’n stuk tegenhouden, daar draag ik geen verantwoordelijkheid voor. Ik vind je hopeloos kinderachtig in je reactie: beledigend jegens mij, en zelf niets dan overgevoeligheid betonend waar het je eigen zaak betreft.
Ik hoop werkelijk dat W. Hermans in verband met die prijs aan tafel met jou verschijnt – wat een heerlijk vooruitzicht om dan voor eens en altijd met hem, en indirect met Kousbroek, twee Nederlandse Parijzenaars, korte metten te maken. Ik zal zelf geen tv kijken, maar informeren naar je optreden dat ongetwijfeld even manmoedig zal zijn als je briefje aan mij. Nee, de telefoon was goddank ruim een week kapot: dat is overigens niets voor jou om je daarover op te winden.
Hoe verzin je het trouwens om mij naar een leraarsbaantje te manoeuvreren, het schandaligste en vernietigendste beroep dat ik ken. Mijn loyaliteit is helemaal niet gekocht: ik ga ’s avonds naar een voorstelling, schrijf ’s morgens of in het weekeinde als er niemand is aan de Paleisstraat, en verschijn af en toe ter redactie, zoals jij bij VN, om afspraken te maken. Als ik nu in de VN voor mijn nieuwe boek een vernietigende kritiek krijg, moet ik jou dan ook zo’n besmuikt episteltje sturen? Zo gaan de gesprekken over literatuur altijd met jou: zodra iemand veel aandacht in de pers krijgt, of iedereen het er in jouw kringetje over heeft, dan is die schrijver meteen slecht, deugt niet, etc. Wie laat zich nu door de media manipuleren, jij of de lezers of ik?
Als je tegen Kousbroek c.s. bent, schrijf dan tegen hen, maar val mij niet met die door de media geobsedeerde verdachtmakingen lastig.
Je briefje heeft me een verslagen middag, een fles jenever plus een dronken nacht en een katerige dag gegeven: toen mijn eerste boek verscheen, eindigde meteen de vriendschap met iemand die ook wilde schrijven en dat daadwerkelijk ook deed, zij het tot nog toe met slechts één boek. Nu jij in je hoofd hebt gehaald dat die krant niet deugt, richt je je onvrede op mij – de consequenties van dit heen en weer geschrijf moeten we maar afwachten, maar ik kan me niets zieligers voorstellen. Zoveel heb jij helemaal niet te klagen. Cecilia, een boek dat je zelf belangrijker vindt dan V&W, is uitgebreid besproken in de door jou gehate krant. Bovendien heb je nu een nominatie: waar klaag je toch over? Er wordt over het boek geschreven – daar gaat het toch om!
Had je soms verwacht in mij een zetbaasje van je te vinden bij de Krant? Als dat waar is, dan is dat voor mij een reden om bitter te zijn (dringt het tot je door dat zoiets ook kan?) en mij nog verder van literaire kringetjes af te wenden dan ik al doe, en jou met al die lieden van de Held en hun heldinnen te laten freewheelen. De vriendschap gooi je op die manier wel te grabbel.
Welkom thuis en veel succes met de AKO-perikelen, en misschien hoor ik nog van je – de groeten.
Kester

____