dinsdag 28 april 2009

Niet op je buurman lijken

Croisset, maandag 18 of 25 juni 1860

Het is heel vriendelijk van u, beste Baudelaire, dat u me zo’n boek [Kunstmatige paradijzen] gestuurd hebt! Alles bevalt me erin, de bedoeling, de stijl en zelfs het papier. Ik heb het zeer aandachtig gelezen. Maar ik moet u in de eerste plaats bedanken omdat u mij kennis heeft laten maken met zo’n charmante man als de heer de Quincey! Wat is dat een beminnelijke figuur!
Het volgende (om maar meteen een punt achter het gemaar te zetten) is mijn enige tegenwerping. Ik heb het idee dat u, bij een op zo’n verheven manier behandeld onderwerp, in een boek dat de aanzet tot een wetenschap is, in een werk waarin natuurlijk observatie en inductie de hoofdrol spelen, (herhaaldelijk) en te veel? nadruk hebt gelegd op de Geest van het Kwade. Je bespeurt hier en daar zoiets als een restant van het katholicisme. Ik zou liever hebben gezien dat u de hasjiesj, de opium, het buitensporige niet de schuld gaf. Wie weet wat er later uit voort zal komen?
Maar ik wijs erop dat dat een persoonlijke opinie is, waar ik geen enkele waarde aan hecht. Ik ken de kritiek niet het recht toe haar manier van denken in de plaats van die van een ander te stellen. – En wat ik uw boek verwijt, is misschien juist dat wat er de originaliteit en het bijzondere van uw talent van uitmaakt? Niet op je buurman lijken, daar gaat het allemaal om.
Nu ik u mijn gehele wrevel heb opgebiecht, kan ik niet genoeg benadrukken hoe voortreffelijk ik uw werk van begin tot eind heb gevonden. Het is geschreven in een zeer verheven, zeer intense en zeer doorwrochte stijl. In het gedicht van de Hasjiesj heb ik diepe bewondering voor de bladzijden 27-33, 51-55, 76 en alles daarna. U bent erin geslaagd klassiek te zijn, terwijl u tegelijkertijd de transcendente romanticus blijft van wie we houden.
Wat het gedeelte met de titel ‘Een opiumeter’ betreft weet ik niet wat u aan de Quincey te danken heeft. Maar het is in ieder geval een mirakel. Er is geen sympathiekere figuur, naar mijn idee in ieder geval.
Die verdovende middelen hebben altijd een grote begeerte bij me opgeroepen. Ik ben zelfs in het bezit van voortreffelijke, door de apotheker Gastinel samengestelde hasjiesj. Maar ik ben er bang voor – hetgeen ik mezelf verwijt.
Kent u, uit De Soedan van Escayrac de Lauture, die hele door een opiumschuiver bedachte theogonie en kosmogonie? Er is mij een ‘tamelijk kluchtige’ herinnering van bijgebleven, maar ik houd meer van meneer de Quincey. Arme man! Wat is er van Miss Ann geworden! We moeten u ook dankbaar zijn voor die opmerking over morele kritieken. Dat heeft me op mijn gevoelige plek gekrabd of liever gezegd, gevleid.
Ik wacht vol ongeduld op het nieuwe Bloemen van het kwaad. Mijn commentaar is daarop niet van toepassing. Want de dichter heeft volkomen het recht om te geloven in alles wat hij maar wil. Maar de geleerde?
Ik vertel u misschien een hoop onzin? Toch had ik het idee dat het begrijpelijk is wat ik zeg. We zullen het er nog over hebben. Wat bent u hard aan het werk! – En goed!
Gegroet, ik schud u zo de hand dat uw schouder ervan uit de kom raakt.

Aan Charles Baudelaire
uit: Geluk is onmogelijk : een keuze uit zijn brieven - Gustave Flaubert


____