zaterdag 25 april 2009

Tot botenkenner bevorderd

Ik heb Proust nooit uitgelezen. Ik was erin begonnen, maar al heel gauw stuitte ik op een passage waarin Proust een madeleinekoekje eet en zijn hele verleden voor zich ziet oprijzen. In literaire gesprekken waar Proust in voorkomt, wordt altijd over die madeleine gemeierd, net of de rest van het boek nooit geschreven is, dus als het erom gaat mee te kunnen praten was ik klaar met de temps perdu. De rest lees ik later, nam ik me voor. Er zijn meer meesterwerken waarvan je maar één regel hoeft te onthouden of één woord. ‘L’enfer, c’est les Autres!’ en je kunt Sartre in de kast laten staan.
Met sommige boeken gaat het heel anders. Ze worden niet alleen gespeld, ze worden nagespeeld. Kees de jongen van Theo Thijssen heeft duizenden volgelingen. Het boek verdient natuurlijk niet minder, maar de rolbezetting van de moderne Kees de Jongens is niet goed, ze zijn te oud: een jaar of veertig in plaats van tien en ik heb altijd ruzie met ze.
Met de meeste mannen kan ik goed opschieten. Als ze vastgesteld hebben dat ik het niet op hun bestaansrecht heb voorzien of op politieke gronden tegen seksuele omgang ben, kunnen we het best met elkaar vinden. Ik zou niet iedere man voor eigen gebruik willen, maar dat zal wel wederzijds zijn.
Er is maar één soort man met wie ik niet overweg kan en dat is zo’n Kees de Jongen.
Kees de Jongen leeft in een eigen wereld, waar uitsluitend andere jongens wonen. Ze hebben het druk met elkaar, want er is een grote competitie. Als ze jong zijn gaat het om simpele dingen: wie wint er met voetballen, drinken en wakker blijven. Later, als ze ouder worden en niet zelf meer uitblinken op het sportveld, wedijveren ze om iets anders: interessante bezigheden, verstand van zaken.
‘Jij hebt toch een bootje?’ vraagt de ene Kees de Jongen aan de andere.
‘Een bootje? Drie bootjes zul je bedoelen.’
‘Motorboten?’ vraagt de eerste man voorzichtig. Hij heeft geen bal verstand van boten, dus weet hij niet hoe hij de vraag precies moet stellen. Maar hij heeft het goed gedaan want de boten-Kees knikt verheugd en begint uit te leggen dat hij sleepboten heeft, kleine slepertjes met oude motoren erin uit 1910. Even later zijn ze in een geanimeerd gesprek gewikkeld.
Ik zit ernaast. Ik heb ook geen verstand van boten, maar ook al had ik het, dan was het onmogelijk deel te nemen aan de conversatie want dat mag niet van de Kees de Jongens. ‘We zijn even met een mannengesprek bezig,’ zegt de ene en kijkt me bestraffend aan. Hij is kennelijk van de ene minuut op de andere tot botenkenner bevorderd.
Vroeger werd ik soms verliefd op een Kees de Jongen. Ze waren onbereikbaar en daarom verrukkelijk en ik fantaseerde over de triomf van de verovering van zo’n jongenshart. Als een eenhoorn zou hij zijn overwonnen hoofd in mijn schoot leggen en bekennen dat hij al heel lang van mij hield. Maar Kees de Jongen is niet zo. Hij houdt niet erg van vrouwen. Vrouwen zijn niet leuk, vrouwen kunnen niet biljarten, niet over voetbal bazelen, niet drinken en niet schateren en zeker niet om de grappen die Kees de Jongens leuk vinden. Daarom trekken ze liever met elkaar op. Ze sporten samen of praten over sport, ze scheppen op of doen goedmoedig of ze elkanders opschepperijen geloven en als ze een dolle bui hebben, gaan ze samen een meid versieren. Dat doen ze om elkaar te vermaken, het is geen moment de bedoeling dat het meisje dat door een duet Kees de Jongens wordt benaderd zich verbeeldt, dat ze haar leuk vinden.
Een vrouw die in een gezelschap van Kees de Jongens verzeild raakt, voelt zich oplossen in een nevel. Ze bestaat niet. Niemand richt het woord tot haar, als ze zelf iets wil zeggen, moet ze schreeuwen om gehoord te worden en het antwoord is maar al te vaak een bevreemd schouderophalen, waarna de Kees de Jongens weer verder gaan met hun eigen gesprek.

Kees de Jongen [fragment]
uit: Zij houdt van hem. Hij ook - Yvonne Kroonenberg


____