het oog de draad verloor, het spoor
van bont de hondeneus niet raakte
want droog: de geur van hars, van stro
weerhield de adem, in het hout
klonk slechts het knagen van de boktor
bij zoveel stilte moest een gaai wel leven maken,
de kraaien wekken in het galgenbos, om samen
los te schreeuwen wat de bast bekroop
niets duurt: de stilte stiller, en de twijg
weer even roerloos, of geen wind
ooit ruisen kon, nooit regen
____
