dinsdag 23 juni 2009

Geef de camera iets om naar te luisteren en te kijken

Ik had altijd een tamelijk hoge dunk van mezelf gehad als schrijver. Maar tijdens die eerste dagen met Bergmann daalde ik aanzienlijk in mijn achting. Ik had me gevleid met de gedachte, dat ik fantasie had, dat ik een dialoog kon bedenken, dat ik een persoonlijkheid kon schetsen. Ik had gedacht, dat ik vrijwel alles onder woorden kon brengen, zoals een bekwaam kunstenaar de kop van een oude man kan tekenen, of een tafel, of een boom.
Welnu, het leek erop, dat ik me vergist had.
Het speelt aan het begin van de twintigste eeuw, enige tijd vóór de oorlog van 1914. Het is een warme lenteavond in het Weense Prater. In de danslokalen zijn de lichten aan. De koffiehuizen zijn vol. Schetterende muziek. Vuurwerk knalt boven de bomen. De schommels schommelen. De draaimolens draaien. Er zijn rariteitenkabinetten, zigeuners voorspellen de toekomst, jongens spelen harmonika. Massa’s mensen zijn aan het eten, drinken bier, lopen langs de rivier. De dronkaards zingen luidruchtig. De gelieven, arm in arm, wandelen fluisterend in de schaduw van de iepen en de zilveren populieren.
Er is een meisje, Toni heet ze; ze verkoopt viooltjes. Iedereen kent haar en ze heeft een vriendelijk woord over voor iedereen. Ze lacht en maakt grapjes als ze haar bloemen aanbiedt. Een officier probeert haar te zoenen; ze ontwijkt hem, vrolijk lachend. Een oude dame is haar hond kwijt; ze is meelevend. Een opgewonden, hardvochtige man is op zoek naar zijn dochter. Toni weet waar ze is en met wie, maar ze zal het hem niet zeggen. Dan, als ze met de hand aan haar arm langs de lanen loopt, welgemoed en ongebonden, komt ze plotseling oog in oog te staan met een knappe jongeman, gekleed als student. Hij vertelt haar, naar waarheid, dat hij Rudolf heet. Maar hij is niet degene voor wie hij zich uitgeeft. In werkelijkheid is hij de kroonprins van Borodania.
Dit alles moest ik beschrijven. ‘Bekommer je niet om de camera-instelling,’ had Bergmann me gezegd. ‘Bepaal je tot de dialoog. Schep sfeer. Geef de camera iets om naar te luisteren en te kijken.’
Ik kon het niet. Ik kon het niet. Mijn onmacht deed me haast in tranen uitbarsten. Het was toch allemaal zo eenvoudig? Neem Toni’s vader bijvoorbeeld. Hij is dik en vrolijk en hij heeft een kraampje waarin hij Weense worstjes verkoopt. Hij praat met zijn klanten. Hij zegt iets tegen Toni. Toni praat met de klanten. Zij zeggen wat terug. Het is allemaal erg vrolijk, amusant en hartverwarmend. Maar waar hebben ze het in godsnaam over?
Ik wist het niet. Ik kon het niet op papier krijgen. Dat was de harde waarheid: ik kon geen tafel tekenen. Ik probeerde mijn toevlucht te zoeken in hooghartigheid. Uiteindelijk was het filmwerk, broodschrijverij. Het was door en door onecht, goedkoop en vulgair. Het was beneden mijn stand. Ik had me er nooit mee moeten inlaten, onder de invloed van de gevaarlijke charme van Bergmann en verlokt door het haast ongehoorde bedrag van twintig pond per week dat Imperial Bulldog, als vanzelfsprekend, bereid was te betalen. Ik pleegde verraad jegens de literatuur. Geen wonder dat het zo moeilijk was.
Onzin. Ik geloofde dat zelf ook niet. Het is niet vulgair om mensen te kunnen laten praten. Een oude man die worstjes verkoopt is niet vulgair; of het moet zijn in de oorspronkelijke betekenis van het woord, ‘tot het volk horend’. Shakespeare zou geweten hebben hoe hij sprak. Tolstoj zou het geweten hebben. Ik wist het niet, want ik was met al mijn salonsocialisme een snob. Ik wist niet hoe iemand sprak, kostschoolmeisjes en neurotische bohemiens daargelaten.

uit: Prater Violet : portret van een regisseur - Christopher Isherwood

____