Weer thuis gaf ik Speedy vijf millimeter Theophyllinne, tegen de hoest, en smeerde ik zijn verhemelte in met Dogminth, preventief tegen de wormen. Lekker vond hij het allemaal niet denk ik, maar hij ging er ook niet van over zijn nek.
‘Zo, en nu snel weer gezond,’ fluisterde ik.
Algauw lag hij in de fauteuil tegen de slaap te vechten, en hij doezelde in. Ik dronk aan een fles Evian, ging naast Speedy zitten en nam de Van Dale bij de hand. Ik zou niet weten wat ik op te zoeken had. Een mogelijkheid was: het verschil tussen een ambassade en een consulaat. Ja, als ik dat eens definitief uitpluisde. Of nee. Wat heb je eraan. Of je dat verschil kent of niet, daarmee zijn je onderbroeken nog niet proper. Inderdaad, als ik in plaats van onze taal verder te exploreren mijn bonte was eens deed? Welke dag was het eigenlijk? Een woensdag. Niet meteen de perfecte wasdag. Overmorgen, vrijdag, dán zou ik wassen. Als ik nog leefde. Of als er, behalve mijn schielijke overlijden, niks anders in de weg stond.
Een ambassade en een consulaat hebben iets met elkaar te maken, dat wel. Ze zitten om zo te zeggen op een of andere manier in elkanders vaarwater. Ze ruiken aan elkanders kont. Ze hebben dezelfde dikke tante. In hun doorsnee lopen een paar idioten rond die je niet van elkander kunt onderscheiden.
Maar wat is een ‘doorsnee’ eigenlijk. Op den duur zou je, als taalkundige, aan je eigen naam beginnen twijfelen. (‘Hoe heet u?’ ‘Weet ik dat.’) Onwetendheid, steeds ruimer, steeds sterker. Niks onthouden, alles weg. Woorden zoeken, niet vinden, of ja, toch wel. Omkeren, weer terug, verhaspelen, brabbelen, lispelen, stotteren. Korsten om een vecht brood. Onverstaanbaarheid door gedeeld begrip. Een doorsnee, wat is een doorsnee? Iedereen weet het, niemand kan het zeggen zonder struikelen. Nog een geluk dat het, zoals alles, in een boek staat. ‘Een vlak waarlangs een lichaam is doorgesneden, met name de rechthoekig op de lengteas genomen grootste snede.’ Maar ook is een doorsnee een ‘denkbeeldig vlak, door een lichaam heen gebracht, en de figuur die daarop ontstaat door de punten en lijnen van het lichaam welke in dat vlak vallen’. Wie had dat ooit kunnen denken? Weet je wat het is: het interesseert me gewoonweg niet meer wat iets betekent. Ik kan er de kracht niet meer voor opbrengen om betekenissen tot in hun diepste wezen te doorgronden. De vorm in sommige gevallen misschien nog wel, maar niet de inhoud. Maar ik moet doorgaan, het is tenslotte mijn vak.
Speedy hoestte, en sliep verder.
Ik denk dat er enorm veel mensen zijn op de wereld die niet weten wat het verschil is tussen een ambassade en een consulaat. Niet enkel huisvrouwen, landbouwknechten, gootneukers en achterlijken. Ook professoren, popsterren, scheikundigen of personen die een baan hebben op een ambassade of een consulaat. Deze laatsten weten mogelijk wel dat ze op een ambassade werken en niet op een consulaat, of omgekeerd, maar daarom weten ze het verschil nog niet. Het is een veel voorkomende fout te veronderstellen dat iemand die in een autofabriek werkt veel van auto’s afweet. Of dat iemand die iets doet in een televisiebedrjif iedereen kent die ooit met zijn bakkes op tv is geweest. Of dat iemand die met taal arbeidt alles kan benoemen. Integendeel.
Speedy hoestte alweer. Nog zoiets: de medicatie tegen hoest lijkt ervoor te zorgen dat de zieke nog meer hoest. Maar dat komt omdat je verwacht dat hij juist minder gaat hoesten. Ongeduld dat bestraft wordt.
Ik kwaakte als een kikker. Speedy besteedde er geen enkele aandacht aan.
Het toeval is de hoogste macht, de tijd de op één na hoogste macht, de dood de op twee na hoogste macht. Verder zijn er geen machten. Alleen zwakheden, zoals liefde, haat, ziekte, gezondheid, honger, taal, filosofie, democratie, dictatuur, oorlog, eenzaamheid, rijkdom, armoede, pijn, verrukking, enzovoort.
Speedy kroop langzaam van de fauteuil, ging op de krant pissen, en kwam terug. Hij was te zwak om te springen en ik gaf hem een zetje.
Toeval, tijd en dood zijn onontbeerlijk voor een bestaan, de rest is bijkomstig, noem het overbodig.
Ik besloot om iets te eten.
‘De oneindigheid op schaal 1:200,’ zei ik bij mijzelf, ‘verpakt in een hartvormige doos. Dat zou een mooi cadeau zijn.’
Ik at drie boterhammen met kaas, dronk twee koppen thee, at twee Chokotoffs, hoewel er niks te vieren viel, en dronk een kwart liter Evian-water.
