Ik moet iets bekennen. Ik heb een roman geschreven. Toen ik vijftien was. Ik was een echte wijsneus, toen. Ik wist wat er in de wereld te koop was. Ik zat vol kalenderspreuken.
Het was ’n navenante roman. Grote woorden voor kleine gedachten. Ronkerig dikdoen van je c’est la vie. Kruiwagens met platitudes. Spoorwegstations met pretenties. Af en toe kwam er een regel in voor die op ’t eerste gezicht spits en aardig leek, maar toch ook niet al te lang standhield. Als je ‘m een paar keer zou overlezen, dan zou hij zo helder als modder lijken. De mens is eenzaam. Het wonder van de lente. Zeeën van tranen, want je fictieve Geliefde nam de Benen. Als je betrapt werd op de diefstal van een kwartje: zelfmoord. Het was een sentimentele roman. Het was een roman met een kunstmatig wereldbeeld, waarin al te gemakkelijk de gevolgen voor de oorzaken werden aangezien, en het servet voor het tafellaken.
Het gekke is nu, ik kom die roman steeds weer tegen. En de laatste jaren, lijkt het wel, vaker dan ooit. Ook de romans Twee dagen Wolkenbak, enzovoort en Koekjes in de zon van Roeland Kerbosch komen me bekend voor. Ik heb ze zelf geschreven. Toen ik vijftien was.
De wijsneus, die de wereld met klinkende definities onder de knie heeft, is ook in deze romans aan het woord. De problemen kunnen hem niet groot genoeg zijn.
