Gezien vanaf de transen van haar ivoren toren lijkt de mengelmoes aan pseudowetenschappen niet veel meer dan een machteloze verzameling warhoofden. Wetenschappers hebben dan ook vaak de neiging om hun tegenpolen op die manier te benaderen: vanuit de hoogte, als betrof het niet meer dan wat lastige vliegen rond de strooppot. Maar aan die tactiek kleeft een niet onbelangrijk risico. Een dergelijke houding wordt door het grote publiek gemakkelijk arrogant gevonden, met als gevolg dat men sympathie ontwikkelt voor de pseudowetenschappelijke underdog – een sympathie die door de media vaak wordt aangewakkerd. Die zien graag een korte, heldere discussie of een emotionele confrontatie, en ze zullen iedere opmerkelijke bewering of beschuldiging vanuit pseudowetenschappelijke hoek daarom bij voorkeur als ‘een uitdaging’ aan of ‘een alternatief’ voor de wetenschap presenteren. En het gros der mediaconsumenten kan vaak niet of nauwelijks inschatten welk standpunt het juiste is. Zorgvuldig uitleggen waarom de pseudowetenschapper er naast zit heeft vaak weinig zin, omdat de kern van de zaak vaak ingewikkeld, saai – soms van methodologische aard is, waardoor de kwestie voor velen ondoorzichtig blijft. Men krijg al snel de indruk te maken te hebben met twee goochelaars die beide proberen het publiek met fraaie spreuken voor zich te winnen. Het enige waar buitenstaanders dan nog op af kunnen gaan is de indruk die de tegenstanders maken, en de mate waarin hun standpunt ‘logisch’ overkomt. Op beide terreinen scoren wetenschappers vaak opmerkelijk slecht. We zagen al dat ze vaak arrogant overkomen, en daar komt bij dat zij de overtuigingskracht van de wetenschap schromelijk overschatten. Als het om het fascineren van het grote publiek gaat, is de pseudowetenschap haar mijlen vooruit.
Wetenschap is een taai bedrijf waarvan na veel bloed, zweet en tranen een miezerig hoopje saaie resultaten overblijft, omgeven door mitsen en maren. Pseudowetenschap daarentegen is bijna per definitie spannend. Pseudowetenschap moet het namelijk hebben van de schok, de onthulling. Ze leeft niet bij de gratie van allerlei subsidiestromen, haar belangrijkste levensader is de verkoop van schreeuwerige boekjes. Hier wordt het geld niet door deftige commissies verdeeld, maar is het de burger zélf die direct beslist wat interessant is en wat niet. Daarom heeft de pseudowetenschap, net als haar afnemers, geen interesse voor suffe details maar slechts voor de grote lijnen. Daarom geeft zij ook altijd heldere antwoorden op de vragen die ons werkelijk interesseren. Vragen over de herkomst der grote beschavingen, het doen en laten van het buitenaards leven, over de grenzen van de geest. Zij pretendeert het bos te zien waar de wetenschap zichzelf volledig verloren lijkt te hebben in de bomen. Succesvolle wetenschappers zijn vaak saai, volledig toegewijd aan het ene vakgebied. Succesvolle pseudowetenschappers zijn zonder uitzondering in hun onwrikbare gelijk irritante, maar vaak ook boeiende pseudo-allesweters. Ze kijken altijd verder dan hun neus lang is, steunen elkaar, citeren elkaar met graagte zonder bronvermelding, haten elkaar tot op het bot. Kortom, ze zijn stuk voor stuk interessanter en extraverter dan die saaie, teruggetrokken wetenschappers.
De fascinatie voor pseudowetenschappers heeft vooral te maken met de allesomvattende synthese die zij ons voortovert. Versnippering, verbrokkeling, is hét kenmerk van de moderne wetenschap, synthese dat van de pseudowetenschap. En die synthese, daar was het natuurlijk eigenlijk allemaal om begonnen. Dat was de opdracht die de wetenschap van de samenleving kreeg, en de belofte die zij waar zou gaan maken. We zouden antwoord krijgen op de vragen wie we zijn, hoe we hier zijn gekomen en waartoe we hier op aarde zijn. Om daarop een betrouwbaar antwoord te geven, ontwikkelde de wetenschap een unieke verzameling technieken en methoden die tot een hele reeks opmerkelijke doorbraken hebben geleid: van een verklaring voor de bewegingen der planeten tot genetische manipulatie en de atoombom. Maar het zijn de antwoorden op de bovenstaande vragen die tellen, en waarvoor we bereid zijn te betalen.
De wetenschap heeft die niet kunnen bieden – en zal die ook nooit kunnen bieden. Het succes van haar aanpak is gelegen in een strak reductionisme, een steeds verder ontleden in steeds kleinere deelgebieden. Maar hoe nuttig dat reductionisme ook moge zijn, het heeft ons, als het gaat om fundamentele vragen, toch ernstig in de kou laten staan. De pseudowetenschap daarentegen heeft een hekel aan reductionisme. Zij reduceert niet maar combineert. Ze biedt samenhang – en daarmee zin. Dit ‘alles hangt met alles’ samen is meer dan een verkooptruc. Het is het credo, de onafhankelijkheidsverklaring, de hoeksteen van de pseudowetenschap.
