woensdag 10 juni 2009

Omdat hij een dosis microben had ingenomen

‘Ik herinner me een jongen uit Brugge,’ vertelt Omer, nadat hij de brand in zijn pijp heeft gezogen. ‘We zullen hem maar Arthur noemen. In de Grooten Oorlog was zijn familie naar Engeland gevlucht en Arthur was als enige achtergebleven. Nu ja, zijn moeder kon je niet helemaal normaal noemen. Hij verdiende zijn kostje als koewachter.
Twee dagen voor de wapenstilstand in 1918 – hij was toen vijftien – liet hij zich inlijven in het Belgisch leger. Onmiddellijk na het beëindigen van de vijandigheden liet hij zich uitroepen tot oud-strijder. En dat lukte ook nog, misschien wel omdat hij een dosis microben had ingenomen, waardoor hij zich kon laten doorgaan voor tbc-patiënt.
Hij liet zich inschrijven aan de Leuvense universiteit, als kandidaat-geneesheer. Jawel, vijftien jaar jong. Ik moet toegeven dat hij bijzonder verstandig was, misschien wel een tikje té. Hoe dan ook, aan de universiteit genoten oud-strijders van het voordeel dat ze hun stof mochten fractioneren. Daardoor mochten ze telkens wanneer ze een deel van de stof hadden geblokt, daarover examen afleggen bij de professor thuis. Dat was uiteraard een heel stuk voordeliger dan de stof van een heel jaar te moeten kennen, zoals de anderen.
Arthur slaagde schitterend en toen hij 21 jaar was, had hij zijn doktersdiploma op zak. Maar hij was een heel eigenaardige man, veel te vroeg aan zijn eind gekomen door de drank. Over wat hij uitgehaald heeft, zou een dik boek te maken zijn. In Sijsele hield hij eens een visverkoopster in het oog, die met haar karretje langs de huizen reed, maar niets verkocht. “Ik zal u helpen,” zei hij, en meteen pakte hij vissen van haar karretje en stopte ze zomaar in de brievenbussen.
Een andere keer nodigde hij enkele mensen uit voor een uitstapje naar Namen. Arme lui die nog nooit van huis weg waren geweest en die geen woord Frans kenden. Arthur zette hen af in een chic hotel in Namen, ging langs de achterdeur naar buiten en liet zijn reisgezellen aan hun lot over.
Ja, hij had wellicht een vijs los. In een zak van zijn jasje droeg hij trouwens altijd een moer mee. Hij vond het plezant om die aan de mensen te laten zien, zeggend dat er inderdaad eentje los zat bij hem.
In zijn jonge jaren hield hij een geit. Zekere dag had hij ze ingespannen in een hondenkar. Hij jakkerde het arme dier op en liet zich rondrijden als een baron. De mensen spraken er schande over, maar geen nood: Arthur spande de geit uit, zette ze in de bak en trok zelf de kar, bewerend dat ieder om de beurt niets te veel was. Ach ja, met geniale mensen weet je maar nooit, ook niet in de goeie ouwe tijd.’

uit: In de tijd van de kleine patatten : Vlaanderen 1900-1945 - Julien van Remoortere

____