Hij vertelde haar dat alle albums gerangschikt waren. Dat hij nu bezig was om elk portret beeldje na beeldje te filmen. Hij gebruikte een Baulieu-camera. Een camera van een oud model waarin hij evenwel alle vertrouwen had. Voor elke opname dezelfde hoek, dezelfde beeldgrootte, dezelfde belichting. De overgang van het ene gezicht naar het andere moest zo glad mogelijk zijn. Zijn werk vorderde met regelmaat. Hij was niet meer van plan nog naar buiten te gaan. Trouwens, hij had al zijn voorzorgen genomen. Conserven, diepvries en een voorraad rijst. Voor de rest bleef het vasten zijn beste wapen tegen het oprukken van de dweil.
‘Ik honger hem uit,’ vertrouwde hij Lucienne toe. ‘De octopus!’
Hij barstte uit in een lachje als van een mondorgel – droog en vals. Zijn ogen dwaalden over de wateren van de Bosporus. Over de masten van de feloeken. Over de rode boernoesen van de zeelieden. Over de blakerende daken van de moskeeën.
‘O,’ mompelde hij, ‘ik had toch echt op reis moeten gaan.’
Maar die late projectie in een onmogelijke toekomst brak hij onmiddellijk af. Vlug keerde hij naar het verleden terug. Zo voelde hij zich het best: als hij Lucienne tot getuige nam en hun geluk achterwaarts weer snel doorliep.
Om die lange monoloog op te sieren met een schijn van activiteit, ging hij, voor zover hij het niet deed om zijn pijn te verhullen – en ongetwijfeld ook om toe te geven aan automatismen die van vijfenveertig jaar terug dateerden – door met het dagelijks nemen van twee foto’s van de dode. Hij had haar lichaam gesteund met kussens en het met snelbinders aan de rug van de fauteuil vastgezet. Luciennes glimlach liet het niet afweten.
De roerloze reis (van Kléber Bourguignault) [fragment]
____
