donderdag 20 augustus 2009

De leadzanger geeft uiting aan zichzelf en niet aan de melodie

Populaire liedjes kwamen voort uit een traditie van balladen en volksmuziek, waarin een zich voortdurend uitbreidend repertoire van favoriete deuntjes en technieken de basis van het musiceren vormde. Tot voor kort kon het lied worden gescheiden van de uitvoerder – was het een muzikale entiteit die op zichzelf betekenis had, en die door de luisteraars kon worden geïnternaliseerd en herhaald als ze daar de vaardigheid voor hadden. Natuurlijk is er een hele tak populaire muziek die een geïmproviseerd karakter heeft. Maar moderne popliedjes worden niet geïmproviseerd zoals jazz wordt geïmproviseerd, en danken hun aantrekkingskracht niet aan het soort spectaculair muzikaal vakmanschap waarvan we getuige zijn bij Art Tatum, Charlie Parker of Thelonious Monk. Hedendaagse popliedjes worden uiterst zorgvuldig samengesteld, vaak met kunstmatige middelen, om ze op onuitwisbare wijze te impregneren met het handelsmerk van de groep. Alles wordt gedaan om ze ononderscheidbaar te maken van de groep. De leadzanger geeft uiting aan zichzelf en niet aan de melodie; hij benadrukt zijn eigen karakter in toon, sentiment en gebaar. De melodische armoede wordt daardoor deels verklaard. Door de melodie te vereenvoudigen, of te reduceren tot vaste frasen die in elke context kunnen worden hergebruikt, leidt de zanger de aandacht naar het enige onderscheidende kenmerk van het liedje, namelijk naar zichzelf. Het gekruis en gekreun waarmee hij dat brengt vormt de centrale eigenschap van de melodische lijn. Precies op de plaats waar de muziek zich zou moeten bevinden, treffen we de zanger aan. De harmonie wordt prijsgegeven aan een proces van vervorming, waarbij het mengen en bewerken niet van de lucht is. Het is dan ook onmogelijk om die met gewone middelen te reproduceren. Soms rijst er serieuze twijfel of de uitvoerders meer dan een minimale bijdrage hebben geleverd aan de opname, die haar handelsmerk ontleent aan de geluidstechnische bewerking waarmee men naar onherhaalbaarheid streeft. De muziek wordt tegelijk vervluchtigd en ten eeuwigen dage gefixeerd. Ze vorm een onherhaalbaar moment in het leven van de grote machine, dat door middel van die machine tot in der eeuwigheid kan worden herhaald.
En dus is het dikwijls onmogelijk om de melodie en de woorden van een popliedje voor jezelf te zingen. Je kunt hooguit het idool spelen tijdens een karaoke-avond in de plaatselijke bar, waar je dan kunt profiteren van volledige instrumentele begeleiding, geluidsversterking en van het publiek, jezelf heel eventjes kunt neervlijen in de lege groef die de heilige tegenwoordigheid bevatte. Als deze intense en cathartische ervaring voorbij is, moet de fan het podium af en de last van de stilte weer op zich nemen.
Dit alles betekent dat de muziek voor veel jonge mensen niet echt van haar omstandigheden kan worden gescheiden, en niet iets is dat een eigen leven leidt. En dit brengt ons op een van de grote moeilijkheden waarmee de hedendaagse docent geconfronteerd wordt: de afwezigheid van een ‘overgangsrite’ na de puberteit. De rituele overgang van de maagdelijke naar de gehuwde staat is vrijwel verdwenen, en daarmee ook de ‘lyrische’ ervaring van de seksualiteit, als hunkering naar een andere, hogere staat van toetreding, waarvoor de moeizaam verworven instemming van de samenleving een noodzakelijke voorwaarde vormt. Alle andere overgangsriten zijn op soortgelijke wijze weggekwijnd, aangezien geen enkele sociale instelling er nog om vraagt – en als zo’n instelling er wel om vraagt, wordt ze gemeden omdat ze als te oordelend, hiërarchisch of in zekere zin onderdrukkend wordt beschouwd. Het resultaat is een puberale gemeenschap die lijdt aan een groeiend tekort aan toetredingservaringen, maar de volwassen wereld resoluut de rug toekeert – de wereld waarin de last van de sociale reproductie uiteindelijk moet worden aanvaard.
De popmuziek, die de geïdealiseerde puber opvoert als het middelpunt van een collectieve ceremonie, is een poging om de muziek aan te passen aan deze nieuwe situatie – de situatie waarin de massa stagneert. Die staat voortdurend aan de grens van de volwassenheid, maar passeert die grens nooit. In deze situatie wordt de jeugd als het doel en de vervulling van het menselijk leven beschouwd, in plaats van als een overgangsfase die moet worden afgeworpen als de tijd der sociale reproductie eenmaal is aangebroken. Voor veel jonge mensen vormt de popmuziek dan ook een obstakel voor de verwerving van een muzikale cultuur. Het is iets dat hen isoleert van de volwassen wereld, en alle andere muzikale uitingsvormen – zingen, stijldansen, een instrument bespelen, luisteren – wekken hun argwaan op.
Juist om die reden lijkt muzikale opvoeding me van urgent belang om het voortbestaan van de cultuur te waarborgen. Juist door samen te spelen, in groepen of koren te zingen, te improviseren, en zich een heel repertoire aan melodieën eigen te maken, bereiden jonge mensen zich voor op datgene waar popmuziek hen van weghoudt – de overgangsrite uit de puberteit. Ze verwerven op persoonlijke wijze kennis van een sociaal samenzijn, waarin discipline en orde heersen. En ze leren onderscheid te maken tussen de ware beweging van de muziek, die voortkomt uit haar innerlijk leven, en de onechte beweging van de maatslag, die opklinkt van een plek die buiten de melodie en buiten het domein van het muzikale denken ligt.

uit: Waarom cultuur belangrijk is - Roger Scruton