Een van de kenmerkende eigenschappen van het huidige, zogenaamde postmoderne tijdperk is het wegvallen van de overtuiging dat het publiek kan worden verlicht. Scepsis over het project van de verlichting van het publiek wordt echter zelden in coherente en expliciete vorm geuit. In een periode van sociale integratie en participatie kan twijfel aan de vermogens van de bevolking niet duidelijk en open worden uitgesproken. We leven in een tijdperk waarin duidelijke uitspraken over de capaciteiten van mensen worden vertroebeld door termen als ‘leerlingen die extra aandacht behoeven’ en ‘andersbegaafden’. Dit verwarrende taalgebruik co-existeert met de retoriek van de vleierij, waarin iedereen tot bijzonder en creatief wordt uitgeroepen. Het spreekt in een tijd waarin normale universitaire studenten als kwetsbaar worden beschreven echter vanzelf dat men geen hoge dunk van de geestelijke vermogens van het publiek heeft.
Door de bevolking te vleien kan de culture elite haar traditionele rol tegenover het publiek vermijden. Aangezien de mensen blijkbaar zeer creatief zijn en hun alledaagse levens erg veel belangrijke inzichten opleveren, zou het zinloos en arrogant zijn wanneer een elite de last op zich nam het publiek te verlichten. In plaats van de verbeelding van het publiek te cultiveren is de culturele elite haar gaan bevestigen en ophemelen. Het erkenningsbeleid stelt de gevestigde orde in staat een punt van contact met de bevolking te scheppen en de confrontatie met haar eigen legitimatieprobleem te vermijden.
____
