Bovenal beklemtoonde hij dat de nieuwe vormen van rationele politiek, die de samenleving hopen te organiseren op basis van het rationele streven naar vrijheid, gelijkheid, broederschap of de moderne equivalenten daarvan, in feite vormen van militante irrationaliteit zijn. Op geen enkele manier kunnen mensen collectief vrijheid, gelijkheid en broederschap nastreven, niet alleen omdat die zaken erbarmelijk slecht en louter abstract zijn omschreven, maar ook omdat de collectieve rede niet op die manier werkt. Van een collectief, op een gemeenschappelijk doel gericht gebruik van de rede is bij mensen alleen sprake in tijden van nood – wanneer er een dreiging is waaraan het hoofd moet worden geboden, of een verovering die tot een goed einde moet worden gebracht. Zelfs dan hebben ze, als ze hun doel effectief willen nastreven, behoefte aan organisatie, hiërarchie en een bevelstructuur. Toch treedt er in deze gevallen een vorm van collectieve rationaliteit op, waarvan de gebruikelijke naam ‘oorlog’ luidt. Hier vloeit nog een andere stelling uit voort, die met een schok van herkenning tot mij doordrong, namelijk dat elke poging om de samenleving volgens dit soort rationaliteit te organiseren aan precies dezelfde voorwaarde moet voldoen: een oorlogsverklaring tegen een reële of denkbeeldige vijand. Vandaar de schrille en militante taal van de socialistische literatuur – het van haat vervulde, doelgerichte, de bourgeoisie verwerpende proza, waarvan mij in 1968 één voorbeeld was aangeboden, als de ultieme rechtvaardiging van het geweld onder mijn zolderraam, maar waarvan tal van andere voorbeelden bestaan – in de eerste plaats het ‘Communistisch Manifest’ – die op mijn universiteit het basisdieet vormde van de politicologie.
uit: De betekenis van het conservatisme - Roger Scruton

