Sindsdien is de schaduw van Duitsland over Frankrijk blijven hangen. De Derde Republiek overwon de eerste grote krachtmeting met Duitsland tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar ging in 1940 ten onder in de snelle en dramatische nederlaag tegen Hitlers legers. Het land werd verdeeld: een deel werd door de Duitsers bezet, een ander deel bleef min of meer zelfstandig onder leiding van de oorlogsheld uit 1914-1918, maarschalk Pétain. Een andere, veel minder bekende militair, generaal De Gaulle, wilde zich hierbij niet neerleggen. Hij riep zich uit tot leider van het Vrije Frankrijk, dat vanuit Londen de oorlog voortzette.
In 1944 kwam de triomfantelijke terugkeer: Frankrijk werd bevrijd en generaal De Gaulle werd hoofd van de nieuwe regering. Maar niet voor lang. Hij wilde een nieuwe staatsvorm voor Frankrijk, met een krachtiger regering. Het volk wilde hem hierin niet volgen; het verkoos de traditionele vorm van de vorige republiek. De Vierde Republiek, die in 1946 tot stand kwam, was dan ook alleen nieuw in naam. Het was in feite een voortzetting van de Derde Republiek. De regeringen bleven komen en gaan, zelfs in een nog hoger tempo. De gemiddelde levensduur van een kabinet in Frankrijk van die jaren was zoiets als vijf maanden.
De Vierde Republiek stond voor grote problemen: de wederopbouw van een verwoest land, het herstel van de eenheid na de verscheurdheid in de oorlogsjaren, de moeilijkheid om zowel het oude Duitse als het nieuwe Russische gevaar te bezweren en, vooral, de dekolonisatie. De Vierde Republiek kon deze problemen niet aan. Ze werd geteisterd door voortdurende stoelendansen van ministers en regeringen. Ze vertoonde een beeld van stakingen, onlusten en devaluaties. Ze raakte betrokken in koloniale oorlogen die ze niet kon winnen. Toch was haar balans niet geheel ongunstig. De Fransen speelden een grote rol in de wederopbouw en de eenwording van Europa. Politici als Monnet en Schumann genoten veel aanzien. Ook op economisch gebied kwam het herstel tot stand en – wat voor Frankrijk heel bijzonder was – de bevolking begon na honderd jaar weer te groeien. De dekolonisatieperikelen bleken echter onoplosbaar. Pierre Mendès-France maakte na de dramatische nederlaag van de Franse troepen bij Dien Bien Phoe een einde aan de oorlog in Vietnam. In juli 1954 werden de akkoorden van Genève getekend, waarbij Frankrijk zich uit Indo-China terugtrok. De volgende regeringen raakten echter steeds meer betrokken in een nieuw dekolonisatieconflict: Algerije.
Algerije was Frankrijks belangrijkste kolonie. Het was zelfs zo belangrijk dat het niet werd beschouwd als een kolonie, maar als een overzeese provincie (zoiets als Corsica dus). De Fransen zaten er al sinds 1830. Ze hadden het land ontwikkeld. Er was een zeer aanzienlijke Franse bevolking, de zogenaamde ‘pieds noirs’. De meeste Fransen die er woonden, waren geen tijdelijke bewoners, geen bestuursambtenaren, maar gevestigde kolonisten. Ze bezaten grond, boerderijen, winkels, bedrijven, enzovoort. Algerije opgeven was voor hen en voor vele andere Fransen ondenkbaar. De Algerijnen van hun kant wilden onafhankelijk worden. Ze wilden hun grond en bezit terug. Ze wilden geen Fransen zijn, maar Algerijnen. De oorlog was daarom moeilijk en verbitterd. De Franse militairen en ‘pieds noirs’ kregen het gevoel dat de regering hen te weinig steunde. Zij namen daarom zelf het heft in handen. Dat was de crisis die in 1958 tot het terugroepen van generaal De Gaulle zou leiden.
De Vijfde Republiek : een tussentijdse balans [fragment]
____
